zaterdag 30 juni 2012

Racefiets


Terwijl mijn man op zijn racefiets ongetraind op weg is van Utrecht naar Voorburg en mijn dochter in een niet op Google Earth te traceren dorpje in Ghana zit omdat ze voor haar Master zo graag cacoboeren wil interviewen over hun visie op eerlijke handel, oefen ik de kunst van het loslaten.

Op het balkon lees ik – met op het uitklaptafeltje een koele droge wijn uit NiederÓ§sterreich - het Volkskrant Magazine van deze week, waardoor ik zowel moet gaan nadenken over de mogelijkheid mijzelf na mijn dood te laten invriezen – ik word dan een cryonist – als ook over face mapping: voor de kenner is elke onvertogenheid in mijn spijsvertering (verkeerd eten) of bijvoorbeeld lever (te veel drank) keihard op mijn gezicht terug te vinden. Je bent een open boek zelfs als je niet van lezen houdt.

De zon gaat steeds meer schuil achter dreigende wolken en ik vraag me af waarom ik me voor deze loslaatsessie op het balkon eerst heb omgekleed in een zomers rokje met hemdje. Mijn eerdere outfit van vandaag (lange broek en shirt) had ik beter aan kunnen houden. Het is dat de wijn mij nog schijnbaar warm houdt – ik weet dat alcohol op den duur tot onderkoeling leidt maar zover ben ik nog niet  - anders zat ik hier nu te bloot tussen mijn bloembakken en tomatenplanten.

Ik pak de Ipad erbij met de buienradar. Ja hoor, precies op het stuk tussen Utrecht en Voorburg ontwikkelen zich megabuien met onweer. Ik zie mijn lieve echtgenoot daar al dapper doorheen fietsen in zijn fietskledij, zich verheugend op een liefdevolle ontvangst door zijn echtgenote die hem zal opwachten bij aankomst. Dan zie ik plots een ander scenario waarbij de bliksem in een argeloze wielrenner slaat, die nou net op dat fietspad tussen de weilanden iets hoger komt dan de koeien. Ik kijk al even uit het raam of de politieauto al voor de deur staat. In gedachten zie ik de agenten al uitstappen met sombere maatwerkgezichten voor het slechtnieuwsgesprek: bent u de vrouw van ….., het spijt ons maar wij hebben hem levenloos aangetroffen naast het fietspad. De kans dat dit zou gebeuren was erg klein, maar helaas. Hij is getroffen door de bliksem. We willen u vragen met ons mee te gaan om hem te identificeren.
Gelukkig heb ik de kat al eten gegeven en zijn bak verschoond, dus zo nodig kan ik meteen weg.

Het is alweer een aantal dagen geleden dat ik van mijn dochter heb gehoord. Ze sms’te dat ze naar een dorp Ntobroso ging met Myriam, een Frans meisje dat ook onderzoek ging doen bij de cacaoboeren, maar dan weer voor een ander onderwerp. Blijkbaar zijn de cacaoboeren trending. Wie weet hebben ze nog wat extra inkomsten door de oprechte en vriendelijke studenten die in hun lot en meningen geĂŻnteresseerd zijn. Het dorpje Ntobroso had misschien niet eens elektriciteit, sms’te ze, misschien kon ze een keer per week voor internet naar Kumasi, de een na grootste stad van Ghana en slechts vijf uur rijden via onbegaanbare wegen in een onmogelijk busje (tro-tro) waar twintig mensen in passen terwijl er stoelen zijn voor zes.
Niks meer gehoord sindsdien. Op Google Earth heb ik Ntobroso geprobeerd te ontdekken in Ghana, maar het is onvindbaar. Bestaat het wel? Waar is mijn kind gebleven!? Waarom krijg ik geen sms’je dat ze goed is aangekomen?

Laat los, laat los.

Mijn man belt op, blijkbaar leeft hij nog. Hij meldt enigszins vermoeid dat hij wel steeds wind tegen heeft en dat het best zwaar is. Hij is bijna drie uur onderweg en is al flink natgeregend. Wel heeft hij nog van die zakjes gel van koolhydraten bij zich van de fietsenwinkel. Dat gaat hem er wel doorheen slepen, denkt hij.

Ik opper de mogelijkheid hem te komen ophalen. ‘Je hoeft niks te bewijzen!’ zeg ik nog, al weet ik dat dat tegen een man in deze situatie misschien niet de goede opmerking is.
‘Ik kan zo komen met de auto, dan bel je me gewoon, geen enkel punt!’ zegt ik zo nonchalant mogelijk.
Had ik nou die droge witte wijn maar niet opgedronken, ik weet niet precies wat mijn promillage is en of ik nog wel mag rijden. Maar nood breekt wet, als ik mijn man moet redden, doe ik dat.

Hij belooft me nog te bellen als hij een stuk verder is gefietst. Ik vind hem niet goed klinken, hij heeft eigenlijk genoeg gefietst. Hoe lang gaat dit nog goed? Hoe is het eigenlijk met zijn kransslagaderen? Hij wil dat niet laten checken, maar als je 57 bent kun je soms pech hebben en ineens verstopte aderen hebben, en dan lees je in de krant dat zo’n wielrenner in zijn sportieve fietskleding dood is gevonden.

Laat los, laat los.

Buiten klettert inmiddels de regen tegen de ramen. Waar is die man, hij moet nat zijn en koud, ligt hij ergens langs de weg? Of is hij inmiddels onderkoeld? En dat terwijl mijn dochter in Afrika juist vast uitgedroogd en oververhit voortstrompelt over een rood zandpad in de binnenlanden van Ghana, nadat ze net door een gevaarlijke slang is gebeten terwijl niemand het heeft gemerkt en niemand haar helpt.

Laat los, laat los.

Het wordt al donker, mijn man zou nog bellen, waarom hoor ik niks? En van mijn dochter hoor ik ook niks. Nog steeds geen bericht of ze nou in dat rotdorp is aangekomen. Ze weet toch dat ik een moeder ben, dat ik even moet weten dat het goed met haar is? Gelukkig is het allemaal zo onwerkelijk dat ik niet eens echt geloof dat ze in de binnenlanden van West-Afrika zit met kans op malaria en gele koorts. Ondanks vaccinaties, want een garantie heb je nooit.

Laat los, laat los.

‘Hee, daar ben ik. Poeh, ben blij dat ik er ben, wat was even afzien!.’ Een natte kop, vermoeid maar ook trots, modderige benen, stoere grijns en beetje bleekjes en beverig.
Ik omhels hem en hij ploft op de bank, blij dat hij er is. Hij heeft holle ogen maar kijkt tevreden. ‘Lekker gefietst!’ zegt hij. ‘Volgens mij ben ik afgevallen!’
Even later staat hij zingend onder de douche.