Posts tonen met het label fietsen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fietsen. Alle posts tonen

zaterdag 6 oktober 2012

Staartje

“Nog een fijne avond,” zegt de ober van Café Pavlov in Den Haag als we om 18.00 uur weggaan. Hij weet niet dat we net besloten hebben naar het ziekenhuis te gaan. Bert had tien minuten geleden  – terwijl we na een bezoek aan de film Tous Ensemble gezellig zaten na te praten bij rode wijn met bittergarnituur - een spraakstoornis: hij begon te brabbelen, reageerde traag en kwam niet uit zijn woorden. Eerder deze week had hij aan de telefoon ook al zoiets. En ineens valt bij mij het kwartje. Dit is afasie, schiet door me heen, en meteen daarna: foute boel!

Het lijkt erop dat Bert een TIA heeft gehad: een mini-beroerte van voorbijgaande aard, een waarschuwing van je lichaam dat er bijna een vat verstopt zit in je hersenen.

Op de Spoedeisende Hulp wordt hij meteen in de medische molen gestopt: hartfilmpje, bloedonderzoek, ziektegeschiedenis. We vertellen over zijn fietsongeluk van twee maanden geleden. Wie weet is dat toch belangrijk. Hij ging met zijn racefiets onderuit door steenslag op een net geasfalteerde landweg en viel op zijn hoofd. Hij raakte bewusteloos en werd per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Ze constateerden daar een lichte hersenschudding; hij herinnert zich daardoor niets van het ongeluk. Zijn fietshelm was door de klap flink ingedeukt.

Hart en bloed zijn prima, niks wijst op een TIA. De arts besluit een CT-scan van zijn hersenen te laten maken. En dan wordt de verklaring voor Berts spraakproblemen gevonden: hij heeft een grote bloeduitstorting in zijn hoofd (een subduraal hematoom), tussen zijn schedel en zijn hersenen. Het hematoom drukt op de hersenen en daardoor heeft hij uitvalsverschijnselen. Simpel gezegd heeft hij een blauwe plek in zijn hoofd die in de weg zit. Het bloed zit opgesloten tussen twee hersenvliezen (het harde hersenvlies en het spinnenwebvlies).
De oorzaak moet volgens de arts wel het fietsongeluk zijn, want op de scan is te zien dat het oud bloed is.

We zijn verbijsterd. Het fietsongeluk is twee maanden geleden, hoe kan hij nu dan nog zoiets krijgen? En bovendien is hij links op zijn hoofd gevallen, hoe kan het hematoom dan aan de rechterkant zitten? De arts legt uit dat bij de val de hersenen tegen de andere kant van zijn schedel zijn ‘gestuiterd’ en dat daarbij een ader kapot is gegaan. Het bloed heeft heel langzaam gedruppeld, vandaar dat het zo lang duurde voordat hij er iets van merkte. Heel sluipend is de druk op zijn hersenen toegenomen.
Het was me al wel opgevallen dat hij de laatste tijd gauw moe was  - zelfs onder de film vanmiddag zat hij alweer te gapen - en hij leek ook minder flexibel en helder dan anders. Blijkt dus allemaal te komen van de druk tegen zijn frontale hersenkwab.

Het is bijna middernacht als we uitsluitsel krijgen over hoe nu verder. Een neurochirurg moet de bloeduitstorting uit zijn hoofd verwijderen, daarvoor wordt een gaatje in zijn schedel gemaakt. Voor die operatie moet hij naar een ander ziekenhuis, want hier is geen neurochirurgie. En tot het zover is, moet hij blijven. Hij moet onder controle blijven tot de operatie. Hij mag niet meer naar huis.

Midden in de nacht wordt hij opgenomen in het uitgestorven ziekenhuis. We omhelzen elkaar in de donkere gang en ik beloof de volgende ochtend wat spullen te komen brengen. Om kwart voor twee ’s nachts kom ik alleen thuis.

Drie onwerkelijke dagen later verhuist hij per ambulance naar het andere ziekenhuis. De neurochirurg vertelt vriendelijk maar zakelijk dat hij onder plaatselijke verdoving een gat in zijn schedel gaat boren om de hersenen te ontlasten en de bloeduitstorting te verwijderen. Plaatselijke verdoving?? Ja, zo doet hij het altijd en het blijkt ook voor de patiënt goed te doen – “anders zouden we de operatie niet zo uitvoeren, mevrouw” -  Ook leidt deze aanpak tot sneller herstel.

Zijn zelfverzekerde blik is geloofwaardig, dus dan moet het maar zo. Het gat dat ze gaan boren blijkt trouwens een doorsnede te hebben van ruim een centimeter, veel groter dan wij dachten.

De volgende ochtend om acht uur stuurt Bert een berichtje: ik ben er klaar voor. En even later: ik ga nu naar de OK.
Hoe kom je de tijd door als je weet dat ze een gat aan het boren zijn in de schedel van je geliefde? Ik doe huishoudelijke klusjes, ijsbeer door de kamer, probeer de krant te lezen. Ik schrijf alvast een concept-mailtje aan iemand dat de operatie goed is verlopen (zo lijkt het net of het al achter de rug is) en surf wat op internet. Er zijn vandaag 35.000 haringen en 6000 wittebroden beschikbaar voor Leidens Ontzet. Fijn om te weten.

Het duurt lang, te lang voordat ik iets hoor. Ik houd het niet meer uit en bel het nummer van de verpleging. Daarop zijn ze 24 uur per dag bereikbaar, heeft een verpleegkundige me verteld. Ze nemen niet op. Vijf minuten laten nog niet. Daarna moet ik van mezelf een kwartier wachten met bellen. Dat houd ik niet vol en na zeven minuten bel ik opnieuw. Een broeder aan de lijn: “Nee, zijn bed is nog niet terug.” Waarom duurt het zo lang?

En dan ineens belt hij zelf, vrolijke stem. Het is goed gegaan. Wel hoorde hij het knarsen toen ze aan het boren waren. En hij heeft nog een drain die een paar dagen moet blijven zitten.

Drie dagen later mag hij naar huis. Hij moet nog rustig aan doen en over een paar weken terugkomen voor een controlescan, maar zijn hersenen kunnen zich volgens de neurochirurg nu weer ‘ontvouwen’. Alles zal straks weer goed functioneren. Daar gaan we voor.

Tot slot een advies: Fietsen is gezond, maar wees voorzichtig en draag een helm, zeker op een racefiets. En pas op voor bizarre ongelukken, want die zitten in een klein hoekje.

zaterdag 4 augustus 2012

Telefoontje

“Ja maar mam,” zegt mijn dochter, “Juist omdat je mijn moeder bent, heb ik je niet eerder gebeld. Ik wilde je niet ongerust maken. En als ik jou zou spreken, zou ik niet meer zo goed flink kunnen zijn. Dan was ik misschien wel gaan huilen omdat ik zo ziek was.”

Ik begrijp haar. Het is de paradox van de moederkindrelatie: zo dicht bij elkaar staan dat je soms afstand moet nemen om elkaar niet te verstikken of om niet in elkaars emotie te verdwijnen. Zelf vertelde ik mijn moeder nare dingen ook pas als ik ze al had opgelost of als het ergste achter de rug was. Anders zou ze zich zorgen maken. Ook zou ik haar oprechte belangstelling even niet kunnen verdragen. Zelfmedelijden kun je soms niet gebruiken.

Ik tuur naar mijn dochters gezicht op het vlekkerige Skype-beeld uit Ghana. Is ze bleek, hoe staan haar ogen? De beeldkwaliteit is te slecht om mijn moederinstinct te bevredigen, het maakt me onrustig. Ik zou aan haar willen voelen en snuffelen: is ze warm, ruikt ze ziek?

Ze vertelt over de hoge koorts die ze heeft gehad, de hele erge diarree, de buikpijn. Hoe ze ’s nachts een tijd hondsberoerd buiten naast de wc (d.w.z. een smerig gat in de grond) op een bankje heeft gezeten en probeerde laconiek met de situatie om te gaan. Omdat ze immers toch nergens heen kon.

Eigenlijk wil ik zeggen: “Nu is het mooi geweest, je komt direct naar huis! Weg daar uit dat gevaarlijke Afrikaanse dorp met middeleeuwse hygiёnische toestanden!” maar in plaats daarvan prijs ik haar verstandige acties en vertel ik over mijn voorbereidingen voor mijn reis. Nog een maand en dan ga ik haar opzoeken. Ze haalt me op in Accra en dan sluiten we haar verblijf af met een gezamenlijke vakantie. Ik vertel over de vaccinaties die ik heb gehaald bij mijn GGD-collega’s. Daardoor heb ik nu twee pijnlijke armen en voel ik me wat grieperig – ik heb een klein beetje de gele koorts. Ik vertel er zo luchtig mogelijk over, zodat ze zich geen zorgen over me zal maken.

Mijn mobiel gaat, mijn mans foto licht op. Hij is die dag met zijn broer aan het racefietsen in Brabant.
“Hoi, met mij,” zegt hij erg vrolijk. “Ik bel je maar even, want ik heb een ongelukje gehad met de fiets. Ik voel me goed, maar ik lig nu op de spoedeisende hulp in het ziekenhuis. Ik herinner me niks van wat er gebeurd is, ik kwam bij in de de ambulance. En mijn pink moet worden gehecht.” Zijn broer vertelt met trillerige stem dat mijn man in een bocht door steenslag onderuitgleed en bewusteloos bleef liggen. Zijn fietshelm heeft hem gered, die is helemaal gedeukt.

Ineens verandert de wereld. Ik moet naar Brabant, naar het ziekenhuis.

Via de Skype-verbinding heeft mijn dochter het gesprek deels gevolgd. Er volgt een acute rolwisseling: “Mam, je mag nu niet zo in de auto springen,” zegt ze streng. “Eerst even tot jezelf komen en wat eten. En laat me vanavond nog even weten hoe het is.” Ik beloof het.

Het is anderhalf uur rijden naar Oss. Mijn man stuurt berichten uit het ziekenhuis. Leve de spraakcomputer van WhatsApp /  Ik moet nog even een röntgenfoto laten maken van mijn pink, Vette shit shit hits op zoom maar voel me goed / Zo de leukste foto is gemaakt en ik heb zeist hechtingen. De spraakcomputer werkt toch nog niet helemaal goed.

Als ik aankom, is hij net uit het ziekenhuis ontslagen en staat buiten op me te wachten. Daar staat hij in zijn fietskleding, samen met zijn broer. Hij lacht blij als hij me ziet. Ik knuffel hem voorzichtig, want hij zit vol schrammen en builen, ook op zijn gezicht.
Vanmorgen kon ik niet vermoeden hoe gelukkig ik vanmiddag zou zijn om hem weer te zien.

De diagnose: lichte hersenschudding (dus rustig aan doen), kneuzingen en schrammen, vooral aan de linkerkant, zes hechtingen in zijn linkerpink (over een week door de huisarts laten verwijderen).

Hij is nog erg hyper van de adrenaline en heeft ook ’s avonds nog veel praatjes. Hij kan er maar niet over uit dat hij zich niks kan herinneren van wat er is gebeurd. Zijn broer daarentegen lijdt nog zichtbaar onder het nare beeld van zijn bewusteloze broer die voor dood op de weg lag. En die nu weer zo verbazend levendig zit te praten.

Een dag later zijn alle praatjes voorbij. Mijn man likt zijn wonden en blijft een groot deel van de dag in bed. Hij heeft overal pijn, is moe en krijgt hoofdpijn als hij zich beweegt.
Als eigentijds verwerkingsritueel plaatst hij een bericht op Facebook over zijn fietsongeluk. Zo kan hij zijn ervaring snel met veel mensen delen.
Daarna gaat hij heel voorzichtig douchen met een pedaalemmerzak om zijn hand, zodat de gehechte pink niet nat kan worden. Aan fietsen moet hij nog even niet denken. Na het douchen help ik hem met afdrogen, heel voorzichtig.

Ik sms mijn dochter in Ghana dat het alweer heel goed met hem gaat, zodat ze zich geen zorgen zal maken.


















zaterdag 30 juni 2012

Racefiets


Terwijl mijn man op zijn racefiets ongetraind op weg is van Utrecht naar Voorburg en mijn dochter in een niet op Google Earth te traceren dorpje in Ghana zit omdat ze voor haar Master zo graag cacoboeren wil interviewen over hun visie op eerlijke handel, oefen ik de kunst van het loslaten.

Op het balkon lees ik – met op het uitklaptafeltje een koele droge wijn uit Niederӧsterreich - het Volkskrant Magazine van deze week, waardoor ik zowel moet gaan nadenken over de mogelijkheid mijzelf na mijn dood te laten invriezen – ik word dan een cryonist – als ook over face mapping: voor de kenner is elke onvertogenheid in mijn spijsvertering (verkeerd eten) of bijvoorbeeld lever (te veel drank) keihard op mijn gezicht terug te vinden. Je bent een open boek zelfs als je niet van lezen houdt.

De zon gaat steeds meer schuil achter dreigende wolken en ik vraag me af waarom ik me voor deze loslaatsessie op het balkon eerst heb omgekleed in een zomers rokje met hemdje. Mijn eerdere outfit van vandaag (lange broek en shirt) had ik beter aan kunnen houden. Het is dat de wijn mij nog schijnbaar warm houdt – ik weet dat alcohol op den duur tot onderkoeling leidt maar zover ben ik nog niet  - anders zat ik hier nu te bloot tussen mijn bloembakken en tomatenplanten.

Ik pak de Ipad erbij met de buienradar. Ja hoor, precies op het stuk tussen Utrecht en Voorburg ontwikkelen zich megabuien met onweer. Ik zie mijn lieve echtgenoot daar al dapper doorheen fietsen in zijn fietskledij, zich verheugend op een liefdevolle ontvangst door zijn echtgenote die hem zal opwachten bij aankomst. Dan zie ik plots een ander scenario waarbij de bliksem in een argeloze wielrenner slaat, die nou net op dat fietspad tussen de weilanden iets hoger komt dan de koeien. Ik kijk al even uit het raam of de politieauto al voor de deur staat. In gedachten zie ik de agenten al uitstappen met sombere maatwerkgezichten voor het slechtnieuwsgesprek: bent u de vrouw van ….., het spijt ons maar wij hebben hem levenloos aangetroffen naast het fietspad. De kans dat dit zou gebeuren was erg klein, maar helaas. Hij is getroffen door de bliksem. We willen u vragen met ons mee te gaan om hem te identificeren.
Gelukkig heb ik de kat al eten gegeven en zijn bak verschoond, dus zo nodig kan ik meteen weg.

Het is alweer een aantal dagen geleden dat ik van mijn dochter heb gehoord. Ze sms’te dat ze naar een dorp Ntobroso ging met Myriam, een Frans meisje dat ook onderzoek ging doen bij de cacaoboeren, maar dan weer voor een ander onderwerp. Blijkbaar zijn de cacaoboeren trending. Wie weet hebben ze nog wat extra inkomsten door de oprechte en vriendelijke studenten die in hun lot en meningen geïnteresseerd zijn. Het dorpje Ntobroso had misschien niet eens elektriciteit, sms’te ze, misschien kon ze een keer per week voor internet naar Kumasi, de een na grootste stad van Ghana en slechts vijf uur rijden via onbegaanbare wegen in een onmogelijk busje (tro-tro) waar twintig mensen in passen terwijl er stoelen zijn voor zes.
Niks meer gehoord sindsdien. Op Google Earth heb ik Ntobroso geprobeerd te ontdekken in Ghana, maar het is onvindbaar. Bestaat het wel? Waar is mijn kind gebleven!? Waarom krijg ik geen sms’je dat ze goed is aangekomen?

Laat los, laat los.

Mijn man belt op, blijkbaar leeft hij nog. Hij meldt enigszins vermoeid dat hij wel steeds wind tegen heeft en dat het best zwaar is. Hij is bijna drie uur onderweg en is al flink natgeregend. Wel heeft hij nog van die zakjes gel van koolhydraten bij zich van de fietsenwinkel. Dat gaat hem er wel doorheen slepen, denkt hij.

Ik opper de mogelijkheid hem te komen ophalen. ‘Je hoeft niks te bewijzen!’ zeg ik nog, al weet ik dat dat tegen een man in deze situatie misschien niet de goede opmerking is.
‘Ik kan zo komen met de auto, dan bel je me gewoon, geen enkel punt!’ zegt ik zo nonchalant mogelijk.
Had ik nou die droge witte wijn maar niet opgedronken, ik weet niet precies wat mijn promillage is en of ik nog wel mag rijden. Maar nood breekt wet, als ik mijn man moet redden, doe ik dat.

Hij belooft me nog te bellen als hij een stuk verder is gefietst. Ik vind hem niet goed klinken, hij heeft eigenlijk genoeg gefietst. Hoe lang gaat dit nog goed? Hoe is het eigenlijk met zijn kransslagaderen? Hij wil dat niet laten checken, maar als je 57 bent kun je soms pech hebben en ineens verstopte aderen hebben, en dan lees je in de krant dat zo’n wielrenner in zijn sportieve fietskleding dood is gevonden.

Laat los, laat los.

Buiten klettert inmiddels de regen tegen de ramen. Waar is die man, hij moet nat zijn en koud, ligt hij ergens langs de weg? Of is hij inmiddels onderkoeld? En dat terwijl mijn dochter in Afrika juist vast uitgedroogd en oververhit voortstrompelt over een rood zandpad in de binnenlanden van Ghana, nadat ze net door een gevaarlijke slang is gebeten terwijl niemand het heeft gemerkt en niemand haar helpt.

Laat los, laat los.

Het wordt al donker, mijn man zou nog bellen, waarom hoor ik niks? En van mijn dochter hoor ik ook niks. Nog steeds geen bericht of ze nou in dat rotdorp is aangekomen. Ze weet toch dat ik een moeder ben, dat ik even moet weten dat het goed met haar is? Gelukkig is het allemaal zo onwerkelijk dat ik niet eens echt geloof dat ze in de binnenlanden van West-Afrika zit met kans op malaria en gele koorts. Ondanks vaccinaties, want een garantie heb je nooit.

Laat los, laat los.

‘Hee, daar ben ik. Poeh, ben blij dat ik er ben, wat was even afzien!.’ Een natte kop, vermoeid maar ook trots, modderige benen, stoere grijns en beetje bleekjes en beverig.
Ik omhels hem en hij ploft op de bank, blij dat hij er is. Hij heeft holle ogen maar kijkt tevreden. ‘Lekker gefietst!’ zegt hij. ‘Volgens mij ben ik afgevallen!’
Even later staat hij zingend onder de douche.