Posts tonen met het label werk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label werk. Alle posts tonen

zaterdag 14 mei 2016

Afscheid

Na de afscheidslunch verscheur ik in twee uur tijd alle papieren van mijn baan als klachtenbemiddelaar die nog in mijn werktas zitten. De paperassen zijn gestold op datum verkeersongeluk, nu twee jaar geleden. Ze hebben geduldig in hun mappen gewacht op betere tijden, tevergeefs.
Veel aantekeningen en onderwerpen herken ik nog, ik herinner me weer waar ik toen mee bezig was. Het leest als een geschiedenisboek over een periode die ik zelf heb meegemaakt.

Na het therapeutisch scheuren heb ik 38 lege plastic mapjes over. Ik laat ze demonstratief op tafel liggen om mezelf eraan te herinneren dat dit dus is wat je overhoudt: een stapel uitgezakte plastic mapjes die je misschien nog weer voor iets anders kunt gebruiken. Al moet je dan wel eerst de etiketjes eraf zien te krijgen die nog vasthoudend verwijzen naar een vorig leven en naar vergeten actualiteiten. In de mapjes zaten aantekeningen, gespreksverslagen, brochures, adreslijsten, kwartaalrapportages, afspraken uit het werkoverleg, actiepunten die er nog steeds dringend uitzien. Alleen zijn ze allang door iemand anders overgenomen en afgehandeld, of ze hebben zichzelf opgelost. De uitroeptekens die ik erbij had gezet, zijn bijna vertederend. Wat is nou eigenlijk echt belangrijk? Het is maar goed dat je meestal niet stilstaat bij de betrekkelijkheid der dingen. Anders zou je je nergens meer druk over maken, en al zeker niet over je werk.

Op tafel liggen ook de lieve persoonlijke kaarten en de cadeautjes die ik kreeg van mijn collega's: een mooi sieraad van een echte kunstenares, een boekje van Toon Tellegen met dierenverhalen over afscheid, een boekje met levenswijsheden van Toon Hermans, en een set 'Feel good inspiratiekaarten voor een positieve kijk op het leven'. Om die wat kleffe kaarten weg te drinken heb ik gelukkig ook een fles witte wijn gekregen. Ook kreeg ik het hippe boekje Omdenken, waarmee je zelfs van een shit-verkeersongeluk met grote gevolgen nog een mooie uitdaging kunt maken die je niet had willen missen.

Ik houd van het woord zingeving. Je kunt zin aan iets geven, so cheer up! Van de meest zinloze narigheid kun je nog iets moois maken, of het nou een auto-ongeluk is of een brand, een overstroming of een brutale inbraak in je huis. En als je het zelf niet doet, helpen anderen je wel met opmerkingen als: het heeft zo moeten zijn, niets gebeurt zomaar, dit kan geen toeval zijn, je maakt dit niet voor niets mee.

Ik denk dat deze gedachten voortkomen uit een diepe behoefte aan een zinvolle verklaring voor wat er in het leven gebeurt. Het moet allemaal toch wel ergens goed voor zijn. Want stel je voor dat het leven inderdaad alleen maar draait om mazzel, stomme pech en toeval en dat er geen diepere reden, hogere macht of karma is. Dan zouden we ons wel erg klein en onbetekenend op deze aarde gaan voelen.

Ik kan inmiddels wel wat 'feel good inspiratiekaarten voor een positieve kijk op het leven' gebruiken en pak het kekke doosje erbij. Ik zal de kaarten goed schudden en er dan blind drie uitkiezen. Welke dat worden kan uiteraard geen toeval zijn.

De inspiratiekaarten zeggen:
1 Het gras is groener waar je het water geeft.
2 Sterren kunnen alleen maar schijnen als het donker is.
3 Problemen zijn kansen in werkkleding.

Ok, kom nu dan maar door met die fles witte wijn.




woensdag 16 maart 2016

Uitvaart

Het gezelschap is bont want ze stond midden in het leven, net als haar man, zoon en dochter. Er zijn veel mensen van verschillend pluimage: familie, vrienden, kennissen, collega's zoals ik. Wat ze delen is hun betrokkenheid bij deze dood en een witte roos. Ze wilde graag dat iedereen er een mee zou nemen. Het stond expliciet op de rouwkaart: geen bloemen, alleen één witte roos. De instructie was direct en duidelijk, zoals ze zelf ook was. Dit is wat ik wil.
In de wachtruimte zie ik diverse mensen witte rozen uitdelen aan een groepje vrienden of collega's, de inkoop is snel en efficiënt geregeld. Want als zij een witte roos wil, dan krijgt ze die. Iedereen gunt haar dat. Bij de meeste rozen zit het cellofaan er nog omheen. Of was dat niet de bedoeling? Dat heeft ze er niet bij gezegd.
'Ach, maakt niet uit, als het maar een witte roos is,' hoor ik haar zeggen.

Het is zo druk in de aula dat veel mensen moeten staan. Ze zou vast tevreden zijn over de grote opkomst. Dit is wat ze wilde, heel veel mensen om haar uit te zwaaien. Ik hoop echt dat ze boven ons zweeft en goedkeurend knikt. Bijna lijkt het of ik haar even kan zien daarboven.

Het zien van mijn oud-collega's doet me goed. Zo vertrouwd zijn ze, ze zijn min of meer mijn familie, meer dan tien jaar deelden we lief en leed en fusie. En ook al ben ik al twee jaar uit de running door een auto-ongeluk en is deze aanleiding triest, het is even of ik weer thuis kom. Het liefst zou ik weer met ze meegaan, gewoon weer meedoen op het werk net als vroeger, toen alles in mijn hoofd nog naadloos werkte en ik kampioen was in snel schakelen. Toen ik genoot van een bord vol onderwerpen, van hectische toestanden met ongeduldige pers aan de lijn – of zelfs al met camera's onderweg. Ik bulkte van energie en genoot van de reuring en de afwisseling.
Het weerzien doet me goed maar maakt me – toch onverwacht – ook ineens heel verdrietig. Kon ik maar terug naar het verleden en weer lekker bezig zijn. Ik mis mijn oude werkomgeving en de mensen met wie ik samenwerkte maar met wie ik ook praatte over alles wat ons bezighield, zowel op het werk als privé. We leefden met elkaar mee en waren oprecht geïnteresseerd.

'Ik zit in de Wifi,' grapte ik pas tegen iemand. Dat klinkt toch leuker dan 'Ik zit in de WIA, de opvolger van de WAO'. Ik ben voor 75% arbeidsongeschikt verklaard en kan volgens de keuringsarts nog een beperkt aantal uren per week simpel werk doen dat niet te veel van me vraagt. Volgens de UWV-arbeidsdeskundige, die moest uitzoeken welke werkzaamheden ik met mijn beperkingen nog wel kan doen, kan ik nog aan de slag als 'productiemedewerker, medewerker in de kunststof- of rubberindustrie of medewerker in de tuinbouw'. Een nieuwe carrière ligt dus in het verschiet. Theoretisch dan.

Vroeger hoorde je bij een uitvaart tussen de sprekers in alleen muziek en had ieder daarbij zijn eigen gedachten aan de overledene of – bij meer afstand – de boodschappen, de ziekte van een eigen dierbare of misschien de heftige uitvaart van iemand anders. Met de komst van digitale foto's en Powerpoint is het ook mogelijk geworden iemands leven te laten zien.
Er is een slideshow met foto's uit haar leven. Ik zie beelden langskomen van haar jeugd, gezinsleven, grote pretmomenten, feestdagen, vrolijke familietaferelen. En dan zie je hoe haar ziekte de boel overneemt. Eerst is ze nog stevig van postuur, later is ze breekbaar, eerst schatert ze nog breeduit en trekt een gek gezicht samen met haar man, later zit ze, frêle ineens, met een glimlach stil te genieten naast haar stralende dochter.

De muziek die wordt gedraaid is een tijdsbeeld en zou ook bij mijn afscheid hebben gepast: Time, Stairway to heaven, Will I see you in heaven. Tussendoor spreekt haar dochter, haar schoonzus, iemand namens ons als collega's. Ook mensen uit de tenniswereld, waar haar dochter groot werd en zij als moeder bekend werd als trouwe fan, coach, humorvolle criticus van alles en iedereen en ook als een gek mens waar je mee kon lachen.
Haar dochter van 21 is hartverscheurend en ontroerend als ze huilend vertelt dat ze nog nooit zoiets ergs in haar leven heeft meegemaakt als de dood van haar moeder. Dat ze dacht dat het erg was een tenniswedstrijd te verliezen, maar dat dat niets is vergeleken met het verliezen van je moeder. Ook haar man spreekt even, gebroken, zegt dat hij het nog niet kan bevatten. Hoe moet hij verder nu na al die jaren de spil en het anker van het gezin is vertrokken? Als ze had gekund, had ze hem vast ook nu uitgelegd wat hij moest doen en hoe hij dit moest aanpakken. Maar hij moet het nu zelf gaan leren.
Haar zoon blijft zich in zijn toespraak vertwijfeld afvragen waarom nou juist zijn moeder moest sterven. Ze was toch genezen verklaard door de artsen? Hoe kon het dan dat de ziekte terug was gekomen? Hij beseft dat hij nooit antwoord zal krijgen, maar de vragen blijven.

Ik voel mee, het meest nog met de dochter en zoon die hun moeder verliezen op een leeftijd dat ze zelf nog zo jong en in ontwikkeling zijn. Toen mijn vader overleed – mijn maatje met wie ik over alles kon praten en die mij begreep en accepteerde – was ik 19. Ik besefte meteen dat zijn dood iets heel groots was, maar ik kon niet weten hoe groot. Ik besefte bij lange na niet wat de impact op mijn leven zou zijn, dat het missen zou wennen maar nooit over zou gaan, dat er altijd momenten zouden blijven waarop ik hem miste, omdat hij daar gewoon bij moest zijn en niet weg had mogen gaan.
Wat ik ook niet besefte was dat hij – hoe onwerkelijk ook – in de loop der jaren weer steeds dichterbij zou komen, overal met me mee zou gaan en deel van mij zou worden.

Nog altijd hoop ik hem terug te zien als ik zelf het aardse leven achter mij laat. Ik ga ervan uit dat hij dan inmiddels is herenigd met mijn overleden moeder en het niet meer uitmaakt dat hij maar 49 werd en zij 77. En dat ik nog steeds zijn dochter ben, ook al ben ik tien jaar ouder dan hij ooit is geworden.

Na de toespraken lopen we allemaal langs de kist en leggen onze witte roos erop. Er zijn rozen met en zonder cellofaan. Het is goed zoals het is.


dinsdag 21 juli 2015

Hoop

'Hoop doet leven, ook al is er geen hoop,' schreef ik filosofisch in mijn studententijd toen ik treurde om een vriendje dat mij had afgewezen. Ooit zou hij mij vast weer de liefste gaan vinden, droomde ik. Het kwam er niet van, hij is al jaren tandarts in Groningen en heeft een vriendin met een hoop Siamese katten. Ik vond nieuwe liefdes en ik zou hem nu niet eens meer willen.

Ik moest hier even aan denken toen ik – na een half jaar werken aan mijn re-integratie – het arbeidsdeskundig rapport ontving over mijn mogelijkheden om mijn huidige werk te hervatten. “Uitgaande van de huidige beperkingen is de functie niet passend en ook niet passend te maken”, schrijft de arbeidsdeskundige met de lieflijke naam Marie-Claire – dit in tegenstelling tot haar wat rauwe no-nonsense-spreekstijl waarmee ze eerder al mondeling haar conclusies aan me vertelde.

Oorzaak is de fikse whiplash die ik vorig jaar opliep toen een auto achterop mij knalde terwijl ik voor het rode stoplicht stond te wachten. Ik blijk tot de 20 procent te horen bij wie de whiplash-problemen na een jaar nog niet voorbij zijn. Het kan nog wel herstellen, zeggen de deskundigen, maar niemand durft me te voorspellen wanneer en hoe en of het helemaal over zal gaan.
Lange tijd dacht ik: het kan toch niet waar zijn dat zo'n dom ongeluk – ook nog buiten mijn schuld – zomaar het einde betekent van mijn werk en carrière? Maar het kan dus wel. Langzaam begint dit tot me door te dringen. De komende tijd moet ik op zoek naar passend werk en ik mag blij zijn als ik nog weer wat zinvols kan doen. Het lastige is dat mijn intelligentie niet weg is, alleen de uitvoering loopt niet meer lekker, mijn hersenen werken niet meer zo snel en effectief als vroeger.

Uit neuropsychologisch onderzoek blijkt dat er problemen zitten in mijn uitvoerende hersenfuncties, d.w.z. plannen, overzicht, concentratie, structureren, aandacht verdelen. De dingen waar ik altijd juist goed in was. Ik ben heel snel moe van mentale inspanning en praten en luisteren kosten me bakken energie – al houd ik nog evenveel van omgaan met mensen. Ook is mijn geheugen veel slechter en moet ik alles opschrijven.

Ik snap de arbeidsdeskundige wel, want inderdaad: de hectische, hersenintensieve functie die ik had als communicatieadviseur draait op energie en flexibiliteit. Die functie is niet opknipbaar in overzichtelijke taakjes zonder tijdsdruk en zonder eisen aan concentratie, overzicht en het kunnen verdelen van de aandacht. Hetzelfde geldt voor mijn andere baan als onafhankelijk klachtenbemiddelaar in de zorg. Als iemand bij je komt met een klacht weet je tevoren niet wat er via hoor en wederhoor naar voren zal komen en wat dit proces met zich meebrengt. Je moet in staat zijn snel in te spelen op de situatie, je moet bemiddelingsgesprekken kunnen leiden met oog voor iedereen, je moet overzicht kunnen houden en ook goed om kunnen gaan met de emoties van medewerkers en klagers. Ook deze functie is niet te vangen binnen kadertjes en tijdvakjes.

Voor vier mensen koffie zetten en taart snijden vind ik nu al moeilijk, ik kan het in mijn hoofd niet meer snel en efficiënt organiseren. Bij onverwachte gebeurtenissen waarbij ik beslissingen moet nemen, raak ik gestresst en er blokkeert iets in mijn hoofd. Onzichtbaar voor anderen.
Bij nieuwe activiteiten dacht ik vroeger: o, leuk, dat ga ik doen, dat kan nog wel tussendoor. Nu ben ik kampioen doseren geworden – met dank aan de ergotherapeut die mij leerde wat een activiteit feitelijk van je vraagt en hoe ik om moet gaan met beperkte energie. Ik ben mezelf opnieuw aan het ontdekken en leer leven met mijn nieuwe accu, die heel snel leeg is en maar heel langzaam weer oplaadt.

'Je ziet er wel goed uit!' zeggen mensen soms enthousiast. Of ze zeggen als opsteker: 'Ik heb ook problemen met mijn geheugen hoor, dat is de leeftijd.” Tja.
Soms zou ik willen dat ik er slecht uitzag en dat de beperkingen zichtbaar waren als gips of hechtingen. Het is moeilijk uit te leggen dat je normaal lijkt maar het toch niet bent.

Marie-Claire ziet voor mij nog wel arbeidsmogelijkheden in andere werksoorten in een lagere schaal, bijvoorbeeld 'administratieve werkzaamheden, reserveringsmedewerker of een verkoopfunctie'. Ik zie mezelf al zitten achter de kassa bij Intratuin – ik houd wel van plantjes – al is een rij ongeduldige mensen met karretjes vol planten en sfeerlichtjes en anti-luizenspray misschien nog te dynamisch.

Schrijven kan ik gelukkig nog wel, al moet ik ook dat doseren en in stukjes knippen. Maar ik ga door en zoek nieuwe wegen, en ik blijf hopen dat alles langzamerhand weer helemaal goed komt.

Lao-Tse sprak ooit de wijze woorden: het pad ontstaat tijdens het lopen. Dus daar ga ik voor.

Hoop doet immers leven, dat wist ik in mijn studententijd al.



donderdag 27 maart 2014

Klap

Er zijn dingen waar je nooit over nadenkt tot ze zich voordoen. Eigenlijk geldt dat voor de meeste dingen. Een mens leeft tenslotte per dag en daar gebeurt al genoeg wat je gedachten bezighoudt. Op tijd opstaan, bedenken wat je aantrekt, naar je werk gaan, zorgen dat je daar fris en fruitig binnenkomt of althans die indruk wekt, nuttige dingen doen en goede gesprekken voeren, leuk met je collega's omgaan, gezond lunchen – liefst met lunchwandelen want dan leef je langer – en dan aan het eind van de dag nog denken aan de behoeften van hetzij kind, hond, kat of man (willekeurige volgorde), waarna je prijs- en gezondheidsbewust boodschappen inslaat. Sommigen moeten tussendoor ook nog kinderen ophalen in een verantwoorde bakfiets, maar ik ben gelukkig een pre-bakfietsmoeder en mijn dochter zorgt al jaren zelf dat ze thuiskomt in haar eigen huis. Dat scheelt.

Op zo'n gewone maar toch unieke dag was ik in de stad onderweg naar een overleg met collega's. De lente hing in de lucht, de zon scheen, vandaag kon het dak open van mijn nieuwe, rode Volkswagen Up! waardoor ik meteen een vakantiegevoel had. Ik had net een leuk gesprek gehad, ik had een lekkere banaan als autotussendoortje en blaakte van energie en goede zin.
Het rode stoplicht deerde me niet. Ik was mooi op tijd voor het overleg en ach, hoe lang staat zo'n stoplicht nou helemaal op rood. Ik luisterde naar Radio 1 en was tevreden.

Baf!!! De klap waarmee de auto achterop me reed, was hard en overviel me volkomen. Ik hoor het geluid van metaal op metaal nog steeds. In een reflex trapte ik op de rem zodat ik niet ook nog op mijn wachtende voorganger botste. Daar ben ik nog steeds trots op: ik heb voorkomen dat het een kettingbotsing werd. Mijn voorganger heeft dit kunststukje helaas niet gemerkt en is gewoon doorgereden toen het stoplicht groen werd.

Ik sloeg hard met mijn achterhoofd tegen de hoofdsteun en mijn banaan vloog door de auto. Heel even maar was ik de draad kwijt, daarna riep ik 'shit!', deed koelbloedig de radio uit – ik had nu mijn eigen actualiteit – en pakte mijn banaan van de grond. In mijn spiegel zag ik in de auto achter mij een vrouw zitten. Ik stapte uit om te kijken hoe het met haar was en met mijn auto.
'Wat doet u nou?' vroeg ik. 'Had u het stoplicht niet gezien?'
Ze keek me verdwaasd aan.
'Ik weet het niet, ik schakelde verkeerd geloof ik,' zei ze vaag. 'Sorry!'
'Bent u verder in orde?' vroeg ik en ze knikte.
'U moet uw knipperlichten aanzetten, anders rijdt er ook nog iemand bij u achterop,' zei ik nog.
Daarna had ik geen zin meer om met haar bezig te zijn of met mijn auto, ik voelde vooral mijn zere nek en achterhoofd. Ik moest maar weer eens even gaan zitten, vond ik. En 112 bellen, want dit kon ik niet zelf even oplossen. Ik belde, ging weer in mijn auto zitten en wachtte af.
De auto's om ons heen reden door en bekommerden zich niet om ons. Blijkbaar dachten ze dat het allemaal wel goed zou komen. Of het interesseerde hen niet, maar die gedachte wil ik liever niet uitwerken.
Heel snel al hoorde ik sirenes en daar waren twee politieagenten op motoren en een ambulance. Iedereen was even adequaat en vriendelijk. Heerlijk hoe ze op zo'n moment alles van je overnemen. De ambulancebroeder checkte mijn nek, bloeddruk etc., de politie vulde alvast de verzekeringsformulieren in. Een agent kondigde aan dat hij later nog thuis langs zou komen voor het proces verbaal.

Ik hoefde niet mee naar het ziekenhuis, maar de broeder voorspelde me dat ik nog veel pijn in mijn nek zou krijgen. Door de aanrijding van achteren had mijn nek een zwiepende beweging gemaakt: ik had whiplash.
'Vier pijnstillers per dag slikken, echt doen hoor!' zei hij.
Nou, dat zou ik nog wel zien. Ik zat nog vol met adrenaline en volgens mij zou het allemaal wel meevallen. Ik zou eerst even doorrijden naar mijn overleg en 's avonds had ik ook nog een vergadering, dat moest toch wel kunnen. Gewoon even doorpakken, dacht ik.

Inmiddels ben ik een paar weken verder. Ik kan nog niet werken en zit thuis met hoofdpijn, nekpijn, zere armen en schouders, voel me gemangeld, moe, zielig, soms kwetsbaar. Alle leuke dingen heb moeten afzeggen, ineens ben ik afgesneden van de dingen waar ik mee bezig was. Daar sta ik aan de zijlijn, misbaar zoals iedereen.
Samen met mijn stokoude kat kijk ik wezenloos uit het raam naar het speeltuintje met kinderen tegenover mijn huis. Er rijden alsmaar mensen door de straat in diverse vervoermiddelen. Ze hebben het blijkbaar erg druk en moeten ergens heen of komen ergens vandaan.
Ik wissel hangen op de bank af met wat mailen of surfen op de computer of Ipad – niet te lang want dan krijg ik meer hoofdpijn. Volgens instructie beweeg ik regelmatig gedoseerd met mijn nek: 'kijk links en rechts over uw schouder en vervolgens links en rechts onder uw oksel'. Ja, zo ontdek je nog eens leuke oefeningen.
Verder maak ik elke dag een bejaardenwandeling door de wijk met een stop bij de papier-, glas- of plastic bak. Soms loop ik ook even binnen bij de Turkse buurtwinkel, de bakker of de poelier, winkels waar ik normaliter bijna nooit kom maar die nu ineens heel interessant zijn. En als ik thuis kom ga ik uitrusten.

Van alle kanten word ik gewaarschuwd om de eerste tijd echt voorzichtig te zijn. Als ik in het begin te veel doe, wordt het misschien chronisch! Ik hoor nare verhalen over mensen die na twee, drie of zelfs acht jaar nog whiplashklachten houden, die depressief of angstig raken en nooit meer kunnen werken, en die dan ook nog als aanstellers worden gezien.
Ik probeer laconiek te blijven, want het herstel na een whiplash verloopt meestal voorspoedig: binnen zes weken na het ongeluk is meer dan de helft van de mensen weer aan het werk en na een jaar heeft vrijwel niemand meer problemen.

Toch ben ik het er nog steeds niet mee eens dat ik thuis zit, gewoon omdat iemand anders even niet zat op te letten. Maar menselijke fouten zitten nu eenmaal in een klein hoekje, dus dat gevoel moet ik nog leren loslaten.

Misschien lukt dat morgen op mijn balkon in de lentezon met een prosecco, terwijl ik af en toe – gedoseerd – links en rechts over mijn schouder kijk en daarna onder mijn oksels.

vrijdag 18 januari 2013

Re-integratie

Het is mooi als je opknapt na een periode van ziek zijn en weer voorzichtig aan het werk mag. Maar dat gaat niet zomaar. Er is een Wet Verbetering Poortwachter, waarin nauwkeurig staat omschreven welke verantwoordelijkheden werknemer, werkgever en arbodienst hebben tijdens de ziekteperiode en welke procedures moeten worden gevolgd. De arbodienst of bedrijfsarts moet een probleemanalyse maken. De werkgever moet in overleg met de werknemer een Plan van Aanpak opstellen om deze zo snel mogelijk weer aan het werk te krijgen. En ook de werknemer zelf moet zich inspannen om zo snel mogelijk weer te herstellen. Ziek zijn is bijna een vorm van werk.
 
Jaren geleden was ik zelf een tijd uit de running en moest daarna re-integreren. Ik merkte toen dat dit eigenlijk een heel vreemd proces is, dat een groot beroep doet op je eigen flexibiliteit en op die van je collega’s.
 
Immers, terwijl net is bewezen dat ook jij niet onmisbaar bent op je werk, kom je weer terug. Al je belangrijke taken zijn inmiddels door anderen overgenomen, de andere dingen die je deed worden gewoon niet meer gedaan. En men blijkt ook zonder die dingen te kunnen.
Aan jou de taak om je eigen plekje weer terug te veroveren en het werk weer terug te krijgen dat je leuk vindt en waar je goed in bent. Tussendoor moet je met iedereen bijpraten en je kennis updaten over wat er tijdens jouw afwezigheid allemaal is gebeurd. En dat moet je dan doen in een setting waarin je voorzichtig moet beginnen, nog niet te veel hooi op je vork mag nemen en ook nog geen echte verantwoordelijkheden hebt.
 
Eigenlijk wil je meteen weer serieus worden genomen. Maar de overgang is toch wel erg groot van thuis zitten in je eigen, overzichtelijke wereldje naar professioneel en collegiaal functioneren in een dynamische werkomgeving.
 
Je collega’s zijn oprecht blij dat je er weer bent – het lijkt voor hen een beetje of je heel lang op vakantie bent geweest - maar ze weten niet goed wat ze van je mogen verwachten. Je bent weer aanwezig en je ziet er best gezond uit, maar ze hebben gehoord dat je eerst alleen therapeutisch aan het werk bent. Je bent er dus wel maar je bent er ook niet. Mogen ze wel iets van je vragen? Welk werk kun je wel en niet doen? En in hoeverre kunnen ze weer op je rekenen?
Iedereen zegt dat je je grenzen moet aangeven, maar je weet zelf nog niet waar die liggen. Je hoofd wil misschien meer dan je lichaam. En waar je thuis weer leek te bruisen van energie, vraagt puur het aanwezig zijn op je werk met al die collega’s al veel van je krachten. En dan heb je nog geen concrete klus geklaard. Het is een kwestie van beginnen, aanpakken, doseren, te hard lopen, vallen, opstaan en weer doorgaan.
Dat valt af en toe niet mee. Je voelt je soms tekortschieten omdat je nog niet weer een volwaardige collega bent, je zelfvertrouwen is nog fragiel en je energie is soms gewoon op. Af en toe zou je wel willen weglopen van alle verwachtingen die mensen ineens weer van je hebben. En tegelijk wil je juist graag weer meetellen en bij de groep horen, je wilt weer iemand zijn die letterlijk een functie heeft.

Het rare van re-integreren is dus dat je, juist in een periode dat je voorzichtig weer opkrabbelt en nog onzeker bent over wat je weer kunt, extra flexibel, standvastig en assertief moet zijn. Je moet goed nee kunnen zeggen als collega’s te veel van je vragen, je moet duidelijk aan je leidinggevende vertellen wat je voor werk wilt doen en hoe je je re-integratieproces ziet. Je moet energie opbouwen en in je werk groeien. Je moet open staan voor nieuwe ontwikkelingen die zich voor hebben gedaan tijdens je afwezigheid.
En je moet ook nog regelmatig met je werkgever en de bedrijfsarts evalueren en aan zelfreflectie doen: hoe verloopt de re-integratie, wat vind je moeilijk, welk werk kun je weer aan, wanneer kun je weer helemaal aan de slag?

De laatste weken maak ik bij mijn man hetzelfde proces mee: na zijn hersenoperatie mag hij voorzichtig weer re-integreren bij het ROC waar hij docent is. Eerst voor een klein aantal uren per week, alleen nog op therapeutische basis, nog geen deadlines en verplichtingen, alleen werk waarbij hij zelf kan bepalen hoe lang en hoe veel hij bezig is, nog geen werkdruk en nog geen lestaken. Hij mag elk moment stoppen en is niet verplicht te komen.
Hij is heel blij zijn collega’s weer te zien en wil ook graag weer werken. Maar hoe moeilijk is het om de grenzen in het oog te houden. Hij is enthousiast dat hij weer wat kan bijdragen maar loopt zichzelf snel voorbij, ook uit loyaliteit naar zijn collega’s die hij graag wil helpen nu hij er weer is.

Als ik hem voorzichtig aanspreek en zeg dat de afspraak toch was dat hij eerst niet meer dan twee middagen iets voor school zou doen en dat hij nu alwéér bezig is en er moe uitziet, is hij niet blij. Hij weet heus wel wat hij doet.
 
Snel trek ik me terug. Nu het beter met hem gaat,moet ik leren een ‘mantelzorger op afstand’ te worden. Ik weet wel dat ik hem niet mag betuttelen, maar soms vind ik dat het niet goed gaat en dan moet ik toch iets doen of zeggen? Of niet? Nee, ik moet het meer loslaten en een paar stappen achteruit doen, hem ruimte geven om het op zijn eigen manier te doen.
Ik realiseer me dat ik niet alleen betrokken ben bij zijn ziekteperiode, maar ook bij zijn re-integratieproces. Ook ik moet me steeds aanpassen aan de situatie.
 
Mijn opmerking over hoeveel werk hij op zijn schouders neemt, blijft toch wel hangen en later hebben we het erover. Hij wil best doseren maar er is zoveel werk te doen en iedereen spreekt hem weer aan. Zijn collega's en leidinggevende zeggen dat hij het rustig aan moet doen en dat menen ze ook. Maar ze willen toch ook wel graag dat hij even met iets helpt nu hij weer in beeld is en ze zijn expertise weer kunnen gebruiken. En als hij ziet dat een collega die zoveel werk van hem heeft overgenomen, ondersteuning nodig heeft, wil hij toch helpen?
 
Re-integreren is zwaar werk, je zou er bijna ziek van worden.