Posts tonen met het label NAH. Alle posts tonen
Posts tonen met het label NAH. Alle posts tonen

dinsdag 22 januari 2019

Klap - het boek


Na drie jaar schrijven, vallen en opstaan en een adem die langer en langer moest worden, is de klus geklaard: mijn boek Klap – als een ongeluk je wereld op zijn kop zet' is klaar en verschijnt medio 2019 bij Meander Uitgeverij.

In dit autobiografische en persoonlijk geschreven verhaal wil ik de lezer dicht op de huid laten meereizen na het auto-ongeluk dat me in 2014 overkwam. Wat gebeurt er met je als je een heftige whiplash oploopt – een appende automobilist knalde achterop me bij het rode stoplicht – en van het ene moment op het andere uit je gewone leven wordt gekatapulteerd. Als het herstel niet opschiet terwijl je je leven zo graag weer wilt oppakken. Als je onzichtbare letsel tot misverstanden en onbegrip leidt. Als de balans ineens uit je relatie is. Als je jezelf niet meer herkent door problemen in het functioneren van je brein. Als je plotsklaps naast de maatschappij staat en in de wereld terecht komt van revalidatie, re-integratie, letselschade en – uiteindelijk – de WIA. En hoe vind je een nieuwe vorm, hoe aanvaard je de situatie, hoe werk je aan je nieuwe normaal?

Het schrijven van dit boek was in eerste instantie een zoektocht naar het hoe. Ik moest mijzelf opnieuw uitvinden, ook als schrijver.
Een boek schrijven is sowieso een flinke uitdaging, maar zeker als je problemen hebt met overzicht houden en je geheugen, als je concentratie en energie wankel en onvoorspelbaar zijn, als je accu snel leeg is en je belachelijk veel hersteltijd nodig hebt.
Hoe kon ik met mijn beperkingen door het niet-aangeboren hersenletsel (NAH), dat ik aan het ongeluk overhield, toch een nieuw boek schrijven (mijn 23e)? Hoe kon ik het schrijfproces zo behapbaar maken dat ik er niet in zou verdrinken? Hoe kon ik voorkomen dat ik zou verdwalen in al het materiaal en in alle gebeurtenissen en invalshoeken waar ik over wilde schrijven.
Klap werd het moeilijkste schrijfproject dat ik ooit onderhanden had, het werd een meerjarenplan dat dreef op motivatie. Maar het is gelukt!

Ik heb allerlei plannen met dit boek: ik wil lezingen geven aan bedrijfsartsen en werkgevers, aan mensen in de wereld van revalidatie, re-integratie en letselschade, ik wil vertellen over hersenletsel dat een breuk in je levenslijn veroorzaakt en over de pechfactor die ons allemaal kan treffen. En ik wil vertellen over veerkracht en hoop, over hoe het leven je toch weer meeneemt en er altijd weer een halfvol glas blijkt te zijn.



maandag 2 april 2018

Klip 2.0


Ineens was ze er: Klip 2.0. Zoals bij alle nieuwe versies ging er een flinke periode van broeien aan vooraf, maar nu was de nieuwe software een feit. De kinderziekten waren er al aardig uit. Wel kwamen er nog regelmatig updates waarin bugs werden gefixt en de gebruikerservaring verder werd verbeterd. Ze lachte er maar om. Perfectie bestaat echt niet, dat had ze inmiddels wel geleerd.

Ze had eerst geprobeerd terug te gaan naar Klip 1.0. Die versie had immers jarenlang goed gewerkt. Als ze terugdacht aan die tijd was het gras toen zoveel groener, en ze kon zo lekker bezig zijn en van het leven genieten. Maar later, veel later, had ze ontdekt dat vanaf de andere kant gezien het gras bij Klip 2.0 juist groener was. Het was dus maar hoe je het bekeek. Perception is reality.
Het ging erom met de nieuwe versie te leren werken en daarmee tevreden te zijn. Ze moest vooral niet te vaak terugdenken aan Klip 1.0. Je kunt immers niet terug naar het verleden en bovendien kan terugdenken leiden tot idealiseren. Wel was het mooi om af en toe de foto's nog te bekijken.

De meeste mensen om haar heen waren de afgelopen jaren warmtebrengers. Ze wilden vooral iets vriendelijks zeggen om haar op te beuren of te bemoedigen nu een appende automobilist achterop haar was geknald en ze door hersenletsel haar oude leven en werk was kwijtgeraakt. Maar sommigen waren beterweters die dachten de zin van het leven te kennen en zelfs die van haar leven. Ze bezwoeren haar dat niets zomaar gebeurt, dat deze ervaring zeker ergens goed voor was, dat ze er sterker uit zou komen en veel zou leren. En dat ze vooral positief moest blijven.
Ook de beterweters bedoelden het goed, maar hun opmerkingen waren soms kwetsend. Alsof ze niet ongelukkig mocht zijn met wat er gebeurde en naar een diepere zin moest zoeken.
Bovendien was ze het niet eens met hun levensvisie. Het leven hangt aan elkaar van zomaarheden, en – hoe jammer ook – nare ervaringen zijn vaak nergens goed voor, ze brengen alleen maar verdriet en pijn, Ja, je leert er natuurlijk van, het hele leven is een leerschool.
Onder de streep moest ze gewoon met vallen en opstaan leren omgaan met de tegenslag die haar leven op zijn kop had gezet. Klip 1.0 was gecrasht en er was nog geen nieuwe versie.

Aanpassen en aanvaarden doe je niet van de ene dag op de andere, het kost tijd en tranen. Er zijn dagen dat je alleen maar heel hard wilt huilen om wat je is overkomen. En dat mag. Je hoeft niet altijd positief te zijn, waarom zou dat moeten? Het leven is soms gewoon moeilijk, het overvalt je onverwacht met verdriet en narigheid en ongelukken. De pechfactor is altijd aanwezig in dat kleine hoekje, waardoor je van het keukentrapje klettert of net in dat ene vliegtuig zit waar iets vreselijks mee gebeurt. De pechfactor geeft ruimte aan kankercellen terwijl je zo je best heb gedaan om ruim 200 gram groente per dag te eten en altijd naar je werk fietste met een mooi BMI. De pechfactor zorgt dat je net op dat ene strand bent waar een tsunami aan komt rollen.

Het leven draait om aanpassen, blijven lachen en de moed niet verliezen. Om carpe diem met een goed glas wijn en liefde in je hart. En je hoopt maar dat de pechfactor niet te vaak langskomt bij jezelf en bij de mensen om je heen.

Sommige functies uit Klip 1.0 zijn trouwens behouden, zo zit in Klip 2.0 nog steeds een schrijf-app. Een mooie nieuwe tool is de doseer-app, die gebruik ik elke dag. En ik kan ook erg genieten van de relativerende games waarbij je kunt oefenen met appen achter het stuur.



vrijdag 23 juni 2017

Dip

Net als ik somber in de kamer zit te hangen omdat schrijven vandaag niet lukt – ik ben erg moe en mijn hoofd voelt als een zware loden kogel zonder hersens - rolt een mailtje binnen. Ik heb geen zin om ernaar te kijken.
Ik had vandaag een schrijfdag willen houden. Elke week reserveer ik daarvoor een dag in mijn agenda. Maar mijn hersens willen niet meewerken, ze staan op stand-by. Ik kan me niet concentreren, ik kan niet scherp denken, laat staan dat ik enigszins gestructureerd en gefocust kan werken aan het boek dat ik aan het schrijven ben over de afgelopen drie jaar, waarin mijn leven zo veranderde door een auto-ongeluk.
Dit vind ik een van de moeilijke dingen van niet-aangeboren hersenletsel (NAH): ook al ben ik nog zo gemotiveerd, ik moet het per dag nemen zoals het komt en me aanpassen. Plannen kunnen zomaar niet doorgaan, soms gaat het gewoon allemaal niet. En dan moet ik ook nog de moed erin houden en positief blijven.
Aan mijn buitenkant zie je niks, maar op zo'n dag als vandaag word ik keihard geconfronteerd met mijn beperkingen en vind ik het leven moeilijk.

Ik probeer te bedenken waarom het niet lukt. Soms is een duidelijke oorzaak aan te wijzen, soms ook niet. NAH is onvoorspelbaar.
Waarschijnlijk heb ik gisteravond te veel energie gebruikt bij een prikkelrijk etentje met een vriendin: het restaurant was vrij lawaaiig en onrustig, er was ook muziek en we hebben een paar uur bijgepraat. Ik had wel de hele dag rust gehouden en mijn energie opgespaard voor dit uitje en ik ging op tijd weer naar huis, maar blijkbaar was het toch te veel.
Ondanks een flinke nachtrust ben ik nog uitgeput. Mijn hersens willen vandaag alleen rust. Accu is low, no output.

Dan open ik toch maar het mailtje. Het is van een ergotherapeut van een revalidatiecentrum uit Zwolle. Ze heeft mijn gedicht 'Opgebroken stad' gekregen van een jonge cliënte met NAH die ze een jaar heeft begeleid. Het gedicht heeft haar heel erg geraakt (“Ik werd er stil van en kreeg kippenvel. Wat een prachtige woorden en treffende omschrijving van wat zoveel mensen met hersenletsel dagelijks ervaren. En moeilijk duidelijk kunnen maken aan hun omgeving.”) Daarom heeft ze het gedicht met haar collega's gedeeld. Iedereen vindt het prachtig en ze willen er daarom iets mee doen. Vind ik het goed als ze mijn gedicht in hun stilteruimte ophangen en plaatsen in het personeelsblad?

Ik krijg spontaan een huilbui van verdriet en blijdschap tegelijk. Het is zo fijn dat ik heb kunnen verwoorden wat anderen ook meemaken en dat ik daarmee mensen kan helpen, en ik ben dankbaar voor de waardering die ik ervoor krijg. Tegelijk is het allemaal zo verdrietig wat er is gebeurd, en ik mis nog steeds mijn oude werk en mijn collega's.

Ik lees mijn eigen gedicht nog maar eens, misschien heb ik er zelf ook nog wat aan. En mijn boek gaat er komen, langzaam maar zeker. Want ook met kleine stapjes kun je uiteindelijk een grote reis maken.

Opgebroken stad

Zinloos verlang ik naar wat vroeger was
Naar de wereld van verschil
Waarin lichaam en geest
Feilloos samenwerkten
Waarin de dag bestond uit
Nog even dit en nog even dat
Zonder dat de accu haperde
Waarin slapen leidde tot uitrusten
En schijnbaar alles lukte
Zelfs de zon scheen altijd
Zoals in elke mooie
Herinnering

De dag bestaat nu
Uit stap voor stap
Uit één piek van de dag
Uit doseren
Uit grenzen
Uit één ding tegelijk
Uit onverklaarbaar moe
En uit kijken naar de wereld
Die langs me heen
Doordendert

Onzichtbare opbrekingen
In mijn hoofd
Maken denken vermoeiend
Elk gesprek een marathon
Steeds weer een omleiding
Of gaten in het asfalt
Als in een opgebroken stad
Vind ik moeizaam mijn weg
Maar soms verdwaal ik
Zonder dat iemand het ziet
In mijn eigen straten
En alles loopt vast
Tot ik niet eens meer weet
Wat ik net heb gezegd

Met een brok in mijn keel
Kijk ik naar de restanten
Waar ik het mee moet doen
Toch zie ik her en der
Een boom, een bloem
Een glimlach
Omdat het ook mooi kan zijn
In een opgebroken stad
En je overal kunt komen
Met navigatie.

©  Christine Kliphuis


vrijdag 3 februari 2017

Tijd

Nog een week of zes en dan sta ik echt op straat. Ik ben dan bij mijn beide werkgevers officieel ontslagen. Het UWV kijkt vanaf dat moment over mijn schouder mee of ik mij netjes gedraag volgens de rechten en plichten bij een WIA-uitkering.

Een paar jaar geleden was ik nog lekker bezig met twee leuke parttime banen en een florerend eigen bedrijf voor teksten en boeken. Alles veranderde toen iemand mij op een mooie voorjaarsdag van achteren aanreed terwijl ik voor het rode stoplicht stond te wachten. Ze wilde even een mobiel berichtje sturen aan haar zoon. Ik liep een nare whiplash op die maar niet wilde herstellen. Ondanks een revalidatietraject en veel motivatie hield ik er cognitieve problemen aan over, waardoor het niet lukte mijn oude werk weer op te pakken.
Na een UWV-keuringstraject ben ik nu gedefinieerd in een percentage arbeidsongeschiktheid: 75,4%. Voor de overige 24,6% zou ik – in optimale omstandigheden – nog iets kunnen verdienen in in de kunststofindustrie of de tuinbouw. Ik houd van plantjes dus wie weet.
Met dank voor mijn werk als communicatieadviseur en klachtenbemiddelaar, dat ik jarenlang met veel plezier heb gedaan.

Zes weken nog, het is kort maar ook lang. Tijd is een ongrijpbaar fenomeen dat krimpt of uitdijt naar gelang de setting. Het meten ervan is interessant voor wiskunde en statistieken, maar gevoelsmatig bestaat tijd niet.
Een minuut duurt eindeloos in de stoel van de tandarts, maar vliegt voorbij tijdens een gestolen ontmoeting met een geliefde. Een zich voortslepende vergadering lijkt uren te duren, totdat je bent begonnen aan een creatieve pentekening op de vergaderstukken. Dan is het toch weer jammer als je het zaaltje uit moet voordat je kunstwerk klaar is.
Voor een kind duurt de week tot zijn verjaardag eindeloos, om nog maar te zwijgen over hoe lang het duurt tot 'later als ik groot ben' eindelijk aanbreekt. Maar bij het spelen van verstoppertje is er toch altijd te weinig tijd om een goed plekje te vinden.
Dit jaar is het veertig jaar geleden dat mijn vader overleed. Een eeuwigheid zou je zeggen, maar soms kan het nog voelen als gisteren. Ik mis hem nog altijd, maar ik zou wel raar opkijken als hij ineens weer als 49-jarige zou binnenstappen. Hij zou dan ook ineens jonger zijn dan ik. Hij hoeft trouwens allang niet meer langs te komen om er te zijn: hij is geleidelijk een deel van mij geworden.

Mijn leven van vóór het ongeluk is inmiddels een vrij onwerkelijke herinnering, het lijkt eeuwen geleden. Kon ik dat echt allemaal? Had ik zoveel energie? Kon ik al die verschillende dingen tegelijk doen zonder dat ik overbelast raakte? Ja, dat kon ik, bevestigen mijn man en dochter en mijn vrienden. Ik geloof ze. Het was een mooie tijd waar ik soms nog zinloos naar terugverlang.
Kenmerkend voor mijn verhaal is dat zich een 'breuk in mijn levenslijn' heeft voorgedaan: er een duidelijke scheidslijn tussen mijn leven vóór het ongeluk en het leven daarna. Dat blijkt kenmerkend te zijn voor niet-aangeboren hersenletsel (NAH).

Na een periode van verzet, vechten en verdriet om de ongewenste veranderingen in mijn leven heb ik langzamerhand leren aanvaarden hoe het is. Ook leer ik steeds beter omgaan met mijn beperkingen. Ik blijf nog hopen op verbetering, maar ik leef vandaag en richt mijn aandacht op wat ik nog wel kan: ik geniet van het schrijven – stap voor stap, gedoseerd en zonder tijdsdruk - aan een boek over de afgelopen periode en dat houdt me van de straat. Ook geeft dat me het gevoel dat ik iets zinvols doe.
Ik trek niet meer aan het dode paard dat Vroeger heet. Wel gun ik mezelf af en toe een verdrietdag waarin ik even mag somberen over alles wat ik kwijt ben geraakt. Dan doet een goed glas port wonderen.
Ik ga er als 'voortijdig gepensioneerde' nog wat moois wat van maken en genieten van mooie momenten met dierbare mensen.
Want ook gezelligheid kent geen tijd.


zondag 4 november 2012

Mantelzorg

Op de bank zit een man die het de komende maanden rustig aan moet doen. Hij voelt zich aardig goed, maar is snel moe. Zijn hersens kunnen nog niet te veel prikkels verwerken na het subduraal hematoom (bloeduitstorting tussen de hersenvliezen door een val op zijn hoofd) en de operatie daaraan, waarbij een gat in zijn schedel is geboord.

Hij moet rust nemen, doseren en zuinig omgaan met zijn energie. Dat valt niet mee voor iemand die altijd actief bezig is en die gewend is dagelijks onder de mensen te zijn. Hij heeft de neiging te overschatten wat hij aankan, totdat hij zichzelf tegenkomt. Dan is zijn batterij leeg en moet hij eerst weer worden opgeladen.

Op zulke momenten neem ik de zaak over en zorg voor wat nodig is.
 
Hij wil niet de hele dag thuiszitten, want dan wordt zijn wereld zo klein. Ondanks de Ipad die hem met de hele wereld verbindt, komen de muren soms op hem af. Dus gaan we regelmatig even weg voor een klein uitje of een wandeling, niet te lang maar wel voldoende voor wat frisse lucht en een goede bloedsomloop. Soms gewoon in onze eigen buurt.
Rondwandelen in de wijk geeft veel informatie moet ik zeggen. Je krijgt letterlijk meer zicht op je buren, de huizen waar ze in wonen, hun interieur en de honden die ze hebben. Ook ontdekte ik eindelijk waarom mensen die hun hond uitlaten zo’n leuke rode strik aan de riem hebben gebonden: dat is gewoon een poepzakje dat ze handig in combinatie met de hond bij zich hebben. En die zakjes kun je halen en brengen bij de hondenpoepafvalbak. Echt een eyeopener.
 
Af en toe gaan we een stukje rijden in de auto. Hij mag de komende maanden nog niet autorijden en zit gehoorzaam naast me. Het liefst zou hij lekker zelf achter het stuur zitten, maar hij moet de regie overgeven. Ik vind het rot voor hem maar neem toch maar de rol op me die mij is toebedeeld.
 
Hij voelt zich soms opgelaten door de belasting die hij op mij legt. Dan zeg ik dat hij zich niet schuldig hoeft te voelen, dat ik het met liefde doe, dat het vanzelfsprekend is, dat het nu eenmaal  is zoals het is. Ik maak ruimte, zodat hij erin past. Ik moet er zijn om hem waar nodig te helpen en dingen voor hem te doen die hij nu niet kan.
 
Ongemerkt ben ik weer mantelzorger geworden, net als een aantal jaren geleden bij mijn moeder. Na haar beroerte kwam ik in een maalstroom terecht van narigheid, ik reisde 500 kilometer per week heen en weer naar Groningen om haar - na haar opname in het verpleeghuis - te ondersteunen en alles voor haar te regelen. De verantwoordelijkheid drukte zwaar maar het was Mijn Taak. Ik wilde het doen en ging er tegelijk aan onderdoor omdat de mantelzorg mij opslokte en ik mijn grenzen niet kon aangeven.
Na haar dood was ik acht maanden uit de roulatie omdat ik lichamelijk en geestelijk helemaal was uitgeput. Een paar jaar later schreef ik een boek over haar ziekteperiode (Mijn hoofd is hol, 2e druk 2011). Pas toen iemand me erop attendeerde, realiseerde me ik me dat het boek niet alleen over mijn moeders beroerte, maar ook over mantelzorg ging.
 
Nu is alles anders, maar gevoelsmatig toch ook hetzelfde. Ik herken de innerlijke onrust, het verantwoordelijkheidsgevoel, de overdreven alertheid, de drukkende moeheid die ik niet wil en mag voelen, de irritatie soms, het verboden zelfmedelijden, het verdriet over de situatie dat zich soms even opdringt en een brok in mijn keel legt die ik wegslik.
 
Maar dit keer ga ik het anders doen: ik ga goed voor mezelf zorgen, niet alles inleveren maar ruimte reserveren voor mezelf. Ruimte maken voor een avondje weg met een vriendin, ruimte om hem en de situatie even helemaal te negeren.
Ik hoor het mezelf zeggen terwijl ik ondertussen denk dat ik het beste weet wat goed voor hem is, eigenlijk controle wil houden, eigenlijk alles zelf wil regelen zodat ik zeker weet dat het goed gaat.
 
Als hij zegt dat hij een paar dagen naar zijn familie wil – ook om mij even te ontlasten – ben ik zowel opgelucht als teleurgesteld. Ja, die ruimte wil ik graag, maar nee, ik wil hem ook graag in de buurt houden. Zodat ik kan kijken of alles goed gaat, zodat ik kan inspringen als het nodig is. En hand-in-hand met hem buiten kan wandelen omdat dat ook heel knus is. En hoe moet het als het ineens niet goed gaat, wie houdt hem in de gaten? En kan hij wel goed genoeg op zichzelf passen?
Dan realiseer ik me dat hij niet mijn kind is, maar mijn partner. Laat los, hij is een volwassen man, al is hij – hopelijk tijdelijk - niet in staat zijn gewone leven te leiden.
 
De volgende dag is hij er niet als ik thuiskom van mijn werk. Hij logeert bij zijn zus en pas morgenavond ga ik hem daar weer ophalen. Het huis is stil, niemand vraagt iets van me – behalve dan de oude kater Tijger, maar die kan ik wel aan.
 
Het duurt even tot de rust op me neerdaalt. De ruimte lijkt eerst leegte, maar dan groeit het goede gevoel. Ik schenk mezelf een glas port in, slokje, zucht, rust.
Denk wel al aan de route die ik morgen moet rijden om hem op te halen. Corrigeer mezelf, nu niet denken aan morgen, blijf in het nu. Slokje, zucht, blokje kaas, zucht, rust, ontspanning, wat heerlijk is deze ruimte, wat heerlijk om gewoon even lekker te rommelen.
 
Als hij belt schiet ik telefonisch meteen in mijn rol: hoe voelt hij zich, gaat het wel goed, moet ik nog iets doen, regelen, plannen, voorbereiden, hem eerder ophalen misschien?
 
Nee, ik hoef niets te doen. Hij heeft het gezellig bij zijn familie, iedereen staat voor hem klaar. Hij raadt me aan even lekker iets voor mezelf te doen, hij redt zich wel, echt.
Ik geloof hem.
 
Pas dan trek ik als mantelzorger mijn jas even uit. De rest van de avond hang ik op de bank. Heerlijk.