dinsdag 21 juli 2015

Hoop

'Hoop doet leven, ook al is er geen hoop,' schreef ik filosofisch in mijn studententijd toen ik treurde om een vriendje dat mij had afgewezen. Ooit zou hij mij vast weer de liefste gaan vinden, droomde ik. Het kwam er niet van, hij is al jaren tandarts in Groningen en heeft een vriendin met een hoop Siamese katten. Ik vond nieuwe liefdes en ik zou hem nu niet eens meer willen.

Ik moest hier even aan denken toen ik – na een half jaar werken aan mijn re-integratie – het arbeidsdeskundig rapport ontving over mijn mogelijkheden om mijn huidige werk te hervatten. “Uitgaande van de huidige beperkingen is de functie niet passend en ook niet passend te maken”, schrijft de arbeidsdeskundige met de lieflijke naam Marie-Claire – dit in tegenstelling tot haar wat rauwe no-nonsense-spreekstijl waarmee ze eerder al mondeling haar conclusies aan me vertelde.

Oorzaak is de fikse whiplash die ik vorig jaar opliep toen een auto achterop mij knalde terwijl ik voor het rode stoplicht stond te wachten. Ik blijk tot de 20 procent te horen bij wie de whiplash-problemen na een jaar nog niet voorbij zijn. Het kan nog wel herstellen, zeggen de deskundigen, maar niemand durft me te voorspellen wanneer en hoe en of het helemaal over zal gaan.
Lange tijd dacht ik: het kan toch niet waar zijn dat zo'n dom ongeluk – ook nog buiten mijn schuld – zomaar het einde betekent van mijn werk en carrière? Maar het kan dus wel. Langzaam begint dit tot me door te dringen. De komende tijd moet ik op zoek naar passend werk en ik mag blij zijn als ik nog weer wat zinvols kan doen. Het lastige is dat mijn intelligentie niet weg is, alleen de uitvoering loopt niet meer lekker, mijn hersenen werken niet meer zo snel en effectief als vroeger.

Uit neuropsychologisch onderzoek blijkt dat er problemen zitten in mijn uitvoerende hersenfuncties, d.w.z. plannen, overzicht, concentratie, structureren, aandacht verdelen. De dingen waar ik altijd juist goed in was. Ik ben heel snel moe van mentale inspanning en praten en luisteren kosten me bakken energie – al houd ik nog evenveel van omgaan met mensen. Ook is mijn geheugen veel slechter en moet ik alles opschrijven.

Ik snap de arbeidsdeskundige wel, want inderdaad: de hectische, hersenintensieve functie die ik had als communicatieadviseur draait op energie en flexibiliteit. Die functie is niet opknipbaar in overzichtelijke taakjes zonder tijdsdruk en zonder eisen aan concentratie, overzicht en het kunnen verdelen van de aandacht. Hetzelfde geldt voor mijn andere baan als onafhankelijk klachtenbemiddelaar in de zorg. Als iemand bij je komt met een klacht weet je tevoren niet wat er via hoor en wederhoor naar voren zal komen en wat dit proces met zich meebrengt. Je moet in staat zijn snel in te spelen op de situatie, je moet bemiddelingsgesprekken kunnen leiden met oog voor iedereen, je moet overzicht kunnen houden en ook goed om kunnen gaan met de emoties van medewerkers en klagers. Ook deze functie is niet te vangen binnen kadertjes en tijdvakjes.

Voor vier mensen koffie zetten en taart snijden vind ik nu al moeilijk, ik kan het in mijn hoofd niet meer snel en efficiënt organiseren. Bij onverwachte gebeurtenissen waarbij ik beslissingen moet nemen, raak ik gestresst en er blokkeert iets in mijn hoofd. Onzichtbaar voor anderen.
Bij nieuwe activiteiten dacht ik vroeger: o, leuk, dat ga ik doen, dat kan nog wel tussendoor. Nu ben ik kampioen doseren geworden – met dank aan de ergotherapeut die mij leerde wat een activiteit feitelijk van je vraagt en hoe ik om moet gaan met beperkte energie. Ik ben mezelf opnieuw aan het ontdekken en leer leven met mijn nieuwe accu, die heel snel leeg is en maar heel langzaam weer oplaadt.

'Je ziet er wel goed uit!' zeggen mensen soms enthousiast. Of ze zeggen als opsteker: 'Ik heb ook problemen met mijn geheugen hoor, dat is de leeftijd.” Tja.
Soms zou ik willen dat ik er slecht uitzag en dat de beperkingen zichtbaar waren als gips of hechtingen. Het is moeilijk uit te leggen dat je normaal lijkt maar het toch niet bent.

Marie-Claire ziet voor mij nog wel arbeidsmogelijkheden in andere werksoorten in een lagere schaal, bijvoorbeeld 'administratieve werkzaamheden, reserveringsmedewerker of een verkoopfunctie'. Ik zie mezelf al zitten achter de kassa bij Intratuin – ik houd wel van plantjes – al is een rij ongeduldige mensen met karretjes vol planten en sfeerlichtjes en anti-luizenspray misschien nog te dynamisch.

Schrijven kan ik gelukkig nog wel, al moet ik ook dat doseren en in stukjes knippen. Maar ik ga door en zoek nieuwe wegen, en ik blijf hopen dat alles langzamerhand weer helemaal goed komt.

Lao-Tse sprak ooit de wijze woorden: het pad ontstaat tijdens het lopen. Dus daar ga ik voor.

Hoop doet immers leven, dat wist ik in mijn studententijd al.



maandag 5 januari 2015

Re-integreren

Tien maanden geleden liep ik voor het stoplicht bij een zgn. 'achteroprijding' een fikse whiplash op. Het herstel leek mij een eitje, maar bleek onverwacht veel voeten in de aarde te hebben.

In een maandenlang revalidatietraject leerde ik - eerst nog tegenstribbelend - de diepere betekenis van accepteren, aanpassen en doseren. Ik leerde om mezelf rust te gunnen in plaats van mezelf te forceren. Ik leerde om niet steeds gefrustreerd terug te kijken naar wat ik altijd moeiteloos had gekund. Ik leerde te leven in het heden met hoe het nu met me was en daar tevreden mee te zijn. 'Je moet willen wat je kunt,' zeiden ze.

Ik leerde ook om mijn eisen en verwachtingen over het tempo van herstel los te laten. Ik mocht geen tijdslimieten meer noemen wanneer het over moest zijn. 'Het lichaam heeft zijn eigen tempo,' zeiden ze.

Gelukkig heeft mijn lichaam inmiddels een flink herstel doorgemaakt en ik ben net gestart met re-integreren. Spannend, want ik wil graag maar heb nog beperkingen. Die zie je niet aan de buitenkant en dat maakt het lastig. Ik word nog snel moe van praten, luisteren en ander breinwerk, want concentratie, onthouden en informatieverwerking zijn nog niet zoals het was. Ik duim dat dit nog gaat opknappen, maar zeker is dat niet. Ik hoop op begrip van mijn collega's en leidinggevende en ik hoop dat ze mij de rust en ruimte gunnen die ik nodig heb. En vooral hoop ik dat alles weer goed komt en dat ik straks alles weer moeiteloos kan, net zoals voorheen.

Re-integratie doet een groot beroep op je eigen flexibiliteit en op die van je collega’s. Immers, terwijl net is bewezen dat ook jij niet onmisbaar bent op je werk, kom je weer terug. Al je belangrijke taken zijn inmiddels door anderen overgenomen. Sommige dingen die je deed zijn blijven liggen of worden gewoon niet meer gedaan - en dat kan blijkbaar ook.

Aan jou de taak om je eigen plek weer terug te veroveren en het werk weer te gaan doen dat je leuk vindt en waar je goed in bent. Tussendoor moet je met iedereen bijpraten en je kennis updaten over wat er tijdens jouw afwezigheid allemaal is gebeurd. En dat allemaal in een setting waarin je voorzichtig moet beginnen, nog niet te veel hooi op je vork mag nemen en nog niet weer echte verantwoordelijkheden hebt. 

Je collega’s zijn oprecht blij dat je er weer bent - het lijkt voor hen een beetje alsof je heel lang op vakantie bent geweest - maar ze weten niet goed wat ze van je mogen verwachten. Je bent weer aanwezig en je ziet er best gezond uit, maar ze hebben gehoord dat je heel rustig aan moet beginnen. Je bent er dus wel, maar je bent er ook niet. Mogen ze dus wel iets van je vragen? En welk werk kun je precies wel en niet doen? In hoeverre kunnen ze weer op je rekenen?

Ze zeggen dat je zelf je grenzen moet aangeven, maar je weet zelf nog niet precies waar die liggen. Je hoofd wil misschien meer dan je lichaam, of andersom. En waar je thuis misschien weer leek te bruisen van energie, vraagt puur het aanwezig zijn op je werk met al die collega’s al veel van je krachten. En dan heb je nog niet eens een concrete klus geklaard. Re-integreren is een kwestie van beginnen, aanpakken, vallen, opstaan en weer doorgaan. Je zelfvertrouwen is nog fragiel en je energie is soms gewoon op. Af en toe zou je wel willen weglopen van alle verwachtingen die mensen ineens weer van je hebben. En tegelijk wil je juist graag weer meetellen en bij de groep horen, je wilt weer iemand zijn die letterlijk een functie heeft.

Het aparte van re-integreren vind ik dat het proces iets tegenstrijdigs heeft. Juist in een periode dat je voorzichtig opkrabbelt en nog onzeker bent over wat je weer kunt, moet je superflexibel, standvastig en assertief zijn. Je moet goed nee kunnen zeggen als collega’s te veel van je vragen, je moet duidelijk aan je leidinggevende vertellen wat je voor werk wilt doen en hoe je je re-integratieproces ziet. Je moet energie opbouwen en in je werk groeien. Je moet open staan voor ontwikkelingen die zich voor hebben gedaan tijdens je afwezigheid. En je moet ook nog regelmatig met je werkgever en de bedrijfsarts evalueren en aan zelfreflectie doen: hoe verloopt de re-integratie, wat vind je moeilijk, welk werk kun je weer aan, hoe gaat het verder, wanneer ben je weer helemaal inzetbaar? 

Re-integreren is onzichtbare topsport. Als vriendelijke collega's de komende tijd zeggen: 'Hé, wat leuk, ben je er weer?' laat ik ze misschien toch dit blog even lezen.


woensdag 16 juli 2014

Geduld

Je wil zit in je moeders bil, schijnen sommige ouders tegen hun kinderen te zeggen. Mijn ouders zeiden dat gelukkig niet en wat mij betreft zou die wil ook in je vaders bil kunnen zitten, maar er zit toch iets waars in deze stelling.
Sinds het ongeluk van vier maanden geleden, waarbij ik van achteren werd aangereden, heb ik gemerkt dat mijn sterke wil om snel op te knappen eerder een remmende dan een genezende factor is.

Mijn uitgangspunt was: Even bijkomen van de klap, uitrusten en dan weer oppakken, opbouwen, doorpakken. En ondertussen alvast in beweging blijven en aansluiting houden met werk en andere activiteiten. Zoals een hond zich uitschudt en weer verder rent na druipend uit de onverwacht natte vijver te zijn gekomen, zo wilde ik snel weer verder met mijn leven. Ik wilde het ongeluk, dat me acuut overal uit had gerukt, gauw achter me laten en verder gaan: actief, opgewekt en met de blik naar voren gericht.

Zo werkt het dus blijkbaar niet. Langzaam is tot me doorgedrongen dat mijn lichaam zijn eigen herstelproces heeft en dat ik me daaraan moet aanpassen. Dat mijn wil om snel verder te gaan ertoe leidt dat ik mezelf forceer en dat herstel daardoor misschien juist langer duurt.
Het heeft blijkbaar tijd nodig voordat ik weer moeiteloos op diverse leuke borden kan schaken en de pijn in mijn hoofd, nek en schouders over is. En vermoeidheid, concentratieproblemen en vergeetachtigheid schijnen heel normaal te zijn bij whiplash.
Dus oefen ik nu om mezelf niet stom te vinden als ik vergeten ben een klusje af te maken, een afspraak met een vriendin netjes af te zeggen, te bellen op een afgesproken tijd, de wasmachine leeg te halen, een boodschap op het lijstje te schrijven, de boodschappen uit de auto mee naar binnen te nemen, de zak met glas in de glasbak te legen en er niet weer mee naar huis te rijden omdat ik vergeten ben waar ik naar toe ging. Ik oefen om me niet te schamen als ik me niet herinner wat mijn man me heeft verteld, als ik vergeten ben mijn dochter geld over te maken (waar ze me aarzelend aan herinnert omdat het niet bij mij past om zoiets te vergeten) of als ik voor de tweede keer op de verkeerde tijd bij de fysiotherapeut op de stoep sta. Ik oefen om me niet aan mezelf te ergeren als ik weer warrig drie dingen door elkaar aan het doen ben en mezelf in een chaos terugvind. En ik sta mezelf toe om af en toe even in de put te zitten omdat het allemaal zo lang duurt en ik mezelf soms niet herken.  

Ik oefen geduld en acceptatie. Het heeft geen zin om terug te verlangen naar de situatie van voor het ongeluk. Het is zoals het nu is en het gaat zoals het nu gaat. Ik richt me op aanvaarden, loslaten, ontspannen en meebewegen. Duwen en forceren werkt immers niet. Het gras groeit niet harder door aan de sprietjes te trekken.

Waarom juist ik aangereden ben, vraag ik mij niet af. Want waarom zou het mij niet gebeuren en een ander wel? Bovendien las ik dat in de stad Den Haag de meeste mensen worden aangereden van heel Nederland. Daar heb ik dan wel mooi mijn steentje aan bijgedragen.

Sommige mensen zeggen dat dit mij niet voor niets is overkomen, ze geloven dat niets in je leven zomaar gebeurt. Maar volgens mij gebeurt er wel degelijk van alles 'zomaar'. Ik geloof in de pechfactor.
Zoals je de pech kunt hebben dat iemand tegen je aanbotst, zo kan je huis (of jijzelf ook en je man en kinderen erbij) wegwaaien door een tornado of wegspoelen door een overstroming. Of je kunt een nare ziekte oplopen waar niks tegen te doen blijkt te zijn, zelfs niet als je heel positief denkt en heel moedig bent. Nog maar honderd jaar geleden gingen mensen in ons land massaal dood aan infecties omdat er nog geen middel tegen was. Dat was een gegeven en werd niet persoonlijk opgevat.
Natuurlijk kun je veel leren van de dingen die op je pad komen, als je daarvoor tenminste openstaat. Sowieso moet je overal maar het beste van maken. Dat is volgens mij levenskunst en blijft een kwestie van oefenen.

De mevrouw die het ongeluk heeft veroorzaakt is bij me op bezoek geweest met een roze gemengd boeket. Ze trilde van de zenuwen en kwam nauwelijks uit haar woorden. Ze voelde zich vreselijk schuldig, ik had met haar te doen. Wekenlang had ze niet langs de plek van het ongeluk durven rijden, vertelde ze. Ze vond het heel erg dat ze bij mij letsel had veroorzaakt en begreep nog steeds niet hoe het had kunnen gebeuren en waarom ze niet had opgelet.
Ik gaf haar koffie en een stroopwafel. Ik zei dat ik haar vergaf voor wat er gebeurd was, al was ik er natuurlijk niet blij mee. Iedereen kan immers een fout maken.

Toen ze wegging omhelsden we elkaar kort. Onze levens hebben elkaar geraakt met 40 kilometer per uur en nu gaan we ieder weer ons weegs. Vanuit het raam zag ik haar zonder omkijken weglopen en ik zette de roze bloemen in een vaas.
Misschien is haar schuldgevoel wel moeilijker om mee te leven dan mijn whiplash.
Shit happens.

donderdag 27 maart 2014

Klap

Er zijn dingen waar je nooit over nadenkt tot ze zich voordoen. Eigenlijk geldt dat voor de meeste dingen. Een mens leeft tenslotte per dag en daar gebeurt al genoeg wat je gedachten bezighoudt. Op tijd opstaan, bedenken wat je aantrekt, naar je werk gaan, zorgen dat je daar fris en fruitig binnenkomt of althans die indruk wekt, nuttige dingen doen en goede gesprekken voeren, leuk met je collega's omgaan, gezond lunchen – liefst met lunchwandelen want dan leef je langer – en dan aan het eind van de dag nog denken aan de behoeften van hetzij kind, hond, kat of man (willekeurige volgorde), waarna je prijs- en gezondheidsbewust boodschappen inslaat. Sommigen moeten tussendoor ook nog kinderen ophalen in een verantwoorde bakfiets, maar ik ben gelukkig een pre-bakfietsmoeder en mijn dochter zorgt al jaren zelf dat ze thuiskomt in haar eigen huis. Dat scheelt.

Op zo'n gewone maar toch unieke dag was ik in de stad onderweg naar een overleg met collega's. De lente hing in de lucht, de zon scheen, vandaag kon het dak open van mijn nieuwe, rode Volkswagen Up! waardoor ik meteen een vakantiegevoel had. Ik had net een leuk gesprek gehad, ik had een lekkere banaan als autotussendoortje en blaakte van energie en goede zin.
Het rode stoplicht deerde me niet. Ik was mooi op tijd voor het overleg en ach, hoe lang staat zo'n stoplicht nou helemaal op rood. Ik luisterde naar Radio 1 en was tevreden.

Baf!!! De klap waarmee de auto achterop me reed, was hard en overviel me volkomen. Ik hoor het geluid van metaal op metaal nog steeds. In een reflex trapte ik op de rem zodat ik niet ook nog op mijn wachtende voorganger botste. Daar ben ik nog steeds trots op: ik heb voorkomen dat het een kettingbotsing werd. Mijn voorganger heeft dit kunststukje helaas niet gemerkt en is gewoon doorgereden toen het stoplicht groen werd.

Ik sloeg hard met mijn achterhoofd tegen de hoofdsteun en mijn banaan vloog door de auto. Heel even maar was ik de draad kwijt, daarna riep ik 'shit!', deed koelbloedig de radio uit – ik had nu mijn eigen actualiteit – en pakte mijn banaan van de grond. In mijn spiegel zag ik in de auto achter mij een vrouw zitten. Ik stapte uit om te kijken hoe het met haar was en met mijn auto.
'Wat doet u nou?' vroeg ik. 'Had u het stoplicht niet gezien?'
Ze keek me verdwaasd aan.
'Ik weet het niet, ik schakelde verkeerd geloof ik,' zei ze vaag. 'Sorry!'
'Bent u verder in orde?' vroeg ik en ze knikte.
'U moet uw knipperlichten aanzetten, anders rijdt er ook nog iemand bij u achterop,' zei ik nog.
Daarna had ik geen zin meer om met haar bezig te zijn of met mijn auto, ik voelde vooral mijn zere nek en achterhoofd. Ik moest maar weer eens even gaan zitten, vond ik. En 112 bellen, want dit kon ik niet zelf even oplossen. Ik belde, ging weer in mijn auto zitten en wachtte af.
De auto's om ons heen reden door en bekommerden zich niet om ons. Blijkbaar dachten ze dat het allemaal wel goed zou komen. Of het interesseerde hen niet, maar die gedachte wil ik liever niet uitwerken.
Heel snel al hoorde ik sirenes en daar waren twee politieagenten op motoren en een ambulance. Iedereen was even adequaat en vriendelijk. Heerlijk hoe ze op zo'n moment alles van je overnemen. De ambulancebroeder checkte mijn nek, bloeddruk etc., de politie vulde alvast de verzekeringsformulieren in. Een agent kondigde aan dat hij later nog thuis langs zou komen voor het proces verbaal.

Ik hoefde niet mee naar het ziekenhuis, maar de broeder voorspelde me dat ik nog veel pijn in mijn nek zou krijgen. Door de aanrijding van achteren had mijn nek een zwiepende beweging gemaakt: ik had whiplash.
'Vier pijnstillers per dag slikken, echt doen hoor!' zei hij.
Nou, dat zou ik nog wel zien. Ik zat nog vol met adrenaline en volgens mij zou het allemaal wel meevallen. Ik zou eerst even doorrijden naar mijn overleg en 's avonds had ik ook nog een vergadering, dat moest toch wel kunnen. Gewoon even doorpakken, dacht ik.

Inmiddels ben ik een paar weken verder. Ik kan nog niet werken en zit thuis met hoofdpijn, nekpijn, zere armen en schouders, voel me gemangeld, moe, zielig, soms kwetsbaar. Alle leuke dingen heb moeten afzeggen, ineens ben ik afgesneden van de dingen waar ik mee bezig was. Daar sta ik aan de zijlijn, misbaar zoals iedereen.
Samen met mijn stokoude kat kijk ik wezenloos uit het raam naar het speeltuintje met kinderen tegenover mijn huis. Er rijden alsmaar mensen door de straat in diverse vervoermiddelen. Ze hebben het blijkbaar erg druk en moeten ergens heen of komen ergens vandaan.
Ik wissel hangen op de bank af met wat mailen of surfen op de computer of Ipad – niet te lang want dan krijg ik meer hoofdpijn. Volgens instructie beweeg ik regelmatig gedoseerd met mijn nek: 'kijk links en rechts over uw schouder en vervolgens links en rechts onder uw oksel'. Ja, zo ontdek je nog eens leuke oefeningen.
Verder maak ik elke dag een bejaardenwandeling door de wijk met een stop bij de papier-, glas- of plastic bak. Soms loop ik ook even binnen bij de Turkse buurtwinkel, de bakker of de poelier, winkels waar ik normaliter bijna nooit kom maar die nu ineens heel interessant zijn. En als ik thuis kom ga ik uitrusten.

Van alle kanten word ik gewaarschuwd om de eerste tijd echt voorzichtig te zijn. Als ik in het begin te veel doe, wordt het misschien chronisch! Ik hoor nare verhalen over mensen die na twee, drie of zelfs acht jaar nog whiplashklachten houden, die depressief of angstig raken en nooit meer kunnen werken, en die dan ook nog als aanstellers worden gezien.
Ik probeer laconiek te blijven, want het herstel na een whiplash verloopt meestal voorspoedig: binnen zes weken na het ongeluk is meer dan de helft van de mensen weer aan het werk en na een jaar heeft vrijwel niemand meer problemen.

Toch ben ik het er nog steeds niet mee eens dat ik thuis zit, gewoon omdat iemand anders even niet zat op te letten. Maar menselijke fouten zitten nu eenmaal in een klein hoekje, dus dat gevoel moet ik nog leren loslaten.

Misschien lukt dat morgen op mijn balkon in de lentezon met een prosecco, terwijl ik af en toe – gedoseerd – links en rechts over mijn schouder kijk en daarna onder mijn oksels.

donderdag 27 februari 2014

Energievreters

Een nieuwe baan behoort niet voor niets tot de 'life changing events'. Ga maar na: een nieuwe werkomgeving, nieuwe collega's, een nieuwe bedrijfscultuur, nieuwe procedures.
Alles wat vertrouwd was, is geschiedenis geworden. In je eigen gedachten blijft die geschiedenis belangrijk, maar veel anderen vinden niet zo relevant hoe je het vroeger deed of wat toen erg handig was. Het gaat vooral om het nu en de toekomst, het gaat om oppakken, aanlopen, aanvliegen, insteken, dichttimmeren en uiteraard ook nog borgen. En dat alles graag met een positieve insteek en met een mooie stip op de horizon.

Het leuke is wel dat op mijn nieuwe werkplek veel oude collega's nog terug te vinden zijn, omdat we met een hele groep zijn opgegaan in de nieuwe, grotere organisatie. Dat schept een band die leidt tot groepsvorming bij de koffieautomaat, blije herkenning van collega's die je vroeger niet zo opvielen, delen van gevoelens van enerzijds onzekerheid over hoe het hier werkt en anderzijds optimisme en vertrouwen dat het 'even tijd nodig heeft'.

Toch zijn er momenten dat ik overvallen wordt door een ontheemd gevoel. Waar ben ik terecht gekomen, hoe werkt het hier? Ik voel me als een kind dat tijdens het schooljaar op een nieuwe school moet beginnen en de weg nog niet weet. Onopvallend probeer ik af te kijken hoe anderen zich bewegen in het woud van digitale en papieren procedures die hier gelden. De korte lijnen waarlangs ik vroeger werkte lijken een sprookje uit lang vervlogen tijden.
Maar hoe liggen hier dan de machtsverhoudingen, met wie kun je zaken regelen, wie kan me vertellen hoe hier de hazen lopen? En, nog belangrijker: waar lopen hier de olifantenpaadjes die het mogelijk maken om – buiten de formele, trage procedures om – toch snel iets te kunnen regelen?

Soms wordt ik bevangen door moedeloosheid over paarse krokodillen. Ze bestaan echt. Je hebt bijvoorbeeld mensen die iets voor je willen regelen maar dat gewoon niet kunnen. Ze leggen uiterst vriendelijk en geduldig uit dat ze het wel aan 'de tweede lijn' kunnen doorspelen. En wat die tweede lijn dan precies is, kunnen ze niet goed uitleggen. In ieder geval zijn zij dat zelf niet. Of ze beloven dat ze om 15.00 uur zullen bellen en dan bellen ze gewoon niet. Uiteindelijk ga je dan maar zelf bellen en dan blijken ze die middag vrij te zijn. Of je krijgt de automatische melding dat je verzoek wordt verwerkt in een registratiesysteem en binnen drie dagen wordt afgehandeld. Vraag je na drie weken vertwijfeld aan een collega hoe het mogelijk is dat het nog steeds niet is geregeld, dan krijg je te horen dat die drie dagen alleen maar de streeftermijn is.

Op sommige plekken tref ik hele groepen paarse krokodillen aan. Ik bezin mij nog op de beste strategie. Mij in de groep krokodillen storten zal me lelijk opbreken. Krokodillen – ook paarse – zijn gevaarlijke dieren die je kunnen vermorzelen in hun procedures. Of misschien word ik zelf ook een paarse krokodil als ik te dichtbij kom? Die andere krokodillen waren vast ook niet van plan zo terecht te komen toen ze als kind gevraagd werd wat ze later wilden worden.

Nee echt, ik heb er nog wel zin in, en mijn collega's zijn allemaal aardig en collegiaal, maar ik word af en toe zo moe. De hoeveelheid werk is groot, groter, grootst en ik heb al diverse slangenkuilen en wespennesten ontdekt waar ik vooral niet in terecht wil komen.
Elke keer als ik ergens te horen krijg dat iets niet kan gewoon omdat het niet kan omdat het niet past in het beleid van afdeling a en dat sowieso hiervoor eerst afdeling y akkoord zou moeten gaan met aanpassing van procedure z – los van of datgene wat ik wil op zich een zinvolle actie zou kunnen zijn – voel ik de energie uit me weglopen en word ik heel moe en verlies ik bijna de moed om ooit nog met een idee te komen.

Maar toch liggen in dit gevarieerde landschap ook mooie meren en bossen en geurende bloemenweiden, waar enthousiaste mensen van de inhoud gemotiveerd, zonnig en blij werken aan mooie doelen en projecten (echt waar!)
De uitdaging is om te zorgen dat ik het beste uit alle werelden combineer, dat ik mij op een veilige en effectieve manier nestel in deze nieuwe setting.

Veel om me heen kijken, de bedrijfscultuur snappen en me aanpassen zonder mijzelf te verliezen, dat is het devies. Zo heb ik al gemerkt dat op de ene plek gebruikelijk dat je alleen voor jezelf koffie haalt, op de andere ga je eerst de hele afdeling langs om de bestelling op te nemen. (Dat kan betekenen dat je 10 kopjes koffie, cappuccino, expreschoco, heet water, koud water en misschien ook nog zwarte thee of iets anders moet uitserveren in een multibekerhouder.) Het is dus handig om eerst even te checken hoeveel mensen aanwezig zijn voordat je zo'n sociale actie onderneemt. Ik moet toegeven dat ik al een paar keer heel egoistisch alleen voor mezelf een plastic bekertje cappuccino heb getapt en daarmee snel achter mijn bureau ben gaan zitten, maar ik voelde me toen wel schuldig. Nou ja, een beetje dan.

Soms gebeuren er ook mooie dingen. Een paarse krokodil die ineens aaibaar blijkt, een probleem dat zomaar op onverklaarbare wijze verdwijnt, een leuk gesprek met een nieuwe collega, een nieuw inzicht hoe je in deze organisatie iets kunt bereiken en dat het dan ook lukt!

Het blijft mensenwerk, dat houd ik mijzelf maar voor. Op mijn laconieke momenten zie ik de humor en weet ik dat alles went, ook dit. Op mijn sombere momenten voel ik mij wegzakken in een energievretend moeras van bureaucratie en onbegrijpelijke drempels.

Het was op zo'n moment dat ik besloot ik dit blog te gaan schrijven en ik voel me alweer een stuk beter. Ik heb lekker opgeschreven wat ik zelf wilde, met naast mijn laptop een grote cappuccino, helemaal alleen voor mijzelf gemaakt. En nergens een krokodil te bekennen.



donderdag 12 december 2013

Opruimen

Terwijl ik de ene na de andere ordner leegschud in een grote blauwe container, moet ik even slikken. Jarenlang geloofde ik echt dat de kast op mijn werk gevuld was met belangrijke papieren. In ieder geval belangrijk genoeg om te bewaren. Hoe netjes heb ik alles opgeborgen in ordners en mappen, overal zit keurig een etiket op met datum en onderwerp, alles is chronologisch. Goed gedaan! Alles is prima terug te vinden voor wie het ooit nog wil lezen. Maar dat wil dus niemand. Allemaal onzin geweest, allemaal voorbij, weg met al die papieren rommel!

Met lichte buikkramp van de weemoed scheur ik ruw de plastic strips los van de zo handig ingebonden nota's, rapporten, adviezen en beleidsnota's. Er mag alleen papier in de blauwe containers, geen plastic inbindstrips en ook geen paperclips. Dus moet ik nota bene ook nog elke zorgvuldig geplaatste paperclip weer lospeuteren van papieren die echt bij elkaar hoorden. Weg ermee, weg met de verbanden, weg met het beleid, in de container, who cares! En de paperclips graag ook nog even nog sorteren op grootte, kan nog hergebruikt worden. Ja zeg, er zijn grenzen hoor. Af en toe mik ik recalcitrant een paar paperclips in de prullenbak. Burgerlijke ongehoorzaamheid bij het opruimen, en hoppetee weer een container vol met verouderd full colour drukwerk dat we toen toch erg mooi vonden.

Ik werk er tien jaar en nu fuseren we, het gebouw is verkocht, alles moet leeg, alles moet weg. De nieuwe bewoners kwamen de kozijnen al opmeten.
'Let maar niet op ons,' zeiden ze vriendelijk, maar ik werd acuut overvallen door een groot gevoel van tijdelijkheid en betrekkelijkheid. Eigenlijk zat ik al op de werkplek van een ander. De een zijn vertrek is de ander zijn nieuwe plek.
Over een paar weken verhuis ik naar mijn nieuwe locatie, mijn nieuwe werkgever. Mijn vertrouwde collega's kom ik vast nog wel weer tegen, maar verder is het nog afwachten wat het wordt. Goede intenties genoeg, dus het zal wel goed komen, maar het blijft wennen.
Ja, ik weet het wel: je moet er zelf wat van maken. Ja, ik weet het wel: over een jaar ben je gewend. Ja, ik weet het wel: straks zeg je dat het zoveel goeds heeft gebracht. Maar nu nog niet, mag ik er nog even tegenaan hikken alsjeblieft? En mag ik nog even balen dat ik iets achter moet laten wat ik heb opgebouwd? Bedankt.

Wat zeker is: straks is er heel weinig plaats is voor papier. We mogen maximaal twee dozen meenemen en gaan straks flexwerken met shared desks. Dat betekent dus elke werkdag vroeg beginnen in de hoop dat je een werkplek vindt in de buurt van prettige collega's. Er zijn 'vlekken' waar je kunt werken, je krijgt een kluisje voor je tas met boterhammen en verder loop je waarschijnlijk rond met een een pennenbakje en misschien een 'mapje van de dag'. Of mag dat ook niet meer (ik houd erg van plastic mapjes dus dat wordt afzien).

Flexwerken, clean desks, shared desks, 'werkvlekken' en wat dies meer zij: het doel is vooral bezuiniging en efficiënt gebruik van bureaus. Ik ben het er niet mee eens (al helpt dat uiteraard niet). Het werken met flexplekken gaat in tegen de behoeften van mensen. Iedereen wil graag een eigen stekkie. Ook al kom je maar een dag in de week, het is heerlijk om doelbewust naar een plek te lopen, waarvan je weet: hier zit ik en dit is mijn plek. Zei meneer Maslow dat al niet in zijn piramide? Veiligheid, zekerheid en sociale contacten zijn basisbehoeften. Daarin past niet dat je elke dag op zoek moet naar een plek om je werk te mogen doen zonder dat je recht hebt op een plek waar je je prettig voelt? Je ziet dat iedereen zo snel mogelijk een eigen plekje probeert te creëren, liefst met aangename collega's in de buurt, al is het maar voor één dag: je werktas neerzetten, je jas over de stoel, je telefoon op het bureau: hier zit ik en dit is mijn plek!
Honden en katten doen min of meer hetzelfde: ze geven hun geur af door ergens een plasje tegen te doen of ergens een kopje tegen te geven. Zij proberen niet te doen alsof het ze niet uitmaakt waar ze zijn, natuurlijk maakt het uit!

Per persoon mogen we maximaal twee verhuisdozen meenemen, op de nieuwe werkplek krijg je een halve plank voor al je spullen. Nou bestaan er hele lange planken op de wereld en dan heb je nog aardig wat bergruimte, maar dat schijnt hier niet het geval te zijn. De ruimte die je krijgt is misschien net genoeg voor de selectie van de selectie van de selectie die je net met moeite in die twee dozen hebt gestopt. Maar hoe moet het als er nieuw papier bijkomt?

Naarmate de week vordert, groeit het aantal containers met papier en het aantal verhuisdozen. Ook zie ik steeds meer collega's, die in het begin nog wat weemoedig begonnen met opruimen, ineens hoofdschuddend iets omhooghouden voordat ze het in de container mieteren. De verbazing over de hoeveelheid papier die de afgelopen jaren is geproduceerd, neemt toe. En wat is er nu nog relevant na al die jaren. Eigenlijk erg weinig.
Tegelijk zie je materialen en publicaties die destijds met veel zorg en aandacht zijn gemaakt, waar mensen misschien van wakker hebben gelegen omdat ze het bijna niet op tijd af kregen. En nu gooien we het weg zonder nog echt goed te kijken wat het is. En die mensen herinneren we ons al bijna niet meer.

De meligheid neemt toe en we hangen gierend over de verhuisdozen, de containers raken voller en voller. Wat een hoop bomen hebben we samen gebruikt, maar ach: al die bossen kunnen weer worden gerecycled. Hoe meer oud papier, hoe duurzamer we zijn. Dus donderen we nog meer papieren in de container, hoppetee, weg ermee!

Aan het eind van de dag kijk ik met enige verbazing naar mijn lege kast. Tien jaar werk is onzichtbaar geworden, alles wat ik heb gedaan is teruggebracht tot precies één doos. De rest is geschiedenis en zit vooral in mijn hoofd. Niet chronologisch en niet in mapjes, het archief daarbinnen heel subjectief en selectief.
Ik neem nog wat persoonlijke spulletjes mee naar huis, zoals die mok die ik ooit kreeg van mijn dochter, en wat papieren herinneringen aan mijn tijd hier. De rest is niet meer relevant en wordt het ook nooit meer. Opruimen is een zichtbare vorm van loslaten.

En dan nu maar op naar de nieuwe start, met nieuwe kansen en nieuwe collega's. Je kunt immers elke dag opnieuw beginnen, net als tien jaar geleden.




maandag 6 mei 2013

Barricaden

Als ik thuiskom van het boodschappen doen, zie ik het meteen: mijn man is met het verkeerde doekje het hek van het balkon aan het schoonmaken. Hij heeft het schone vaatdoekje van het aanrecht gepakt in plaats van een schoonmaakdoekje uit het gootsteenkastje!
'Wat ben je aan het doen?' vraag ik zo neutraal mogelijk terwijl ik de boodschappen op het aanrecht zet. Ik probeer niet boos te worden, want hij ik weet dat hij mij een plezier wilde doen. Ook dat nog.
'Ik heb het hele balkon geveegd en schoongemaakt, dan kunnen we hier samen lekker even zitten met een glas rosé,' zegt hij. 'Het is nu heerlijk in de zon.'
Van een afstand zie ik dat mijn mooie, nieuwe, schone vaatdoekje helemaal zwart is geworden. Die vlekken gaan er nooit meer uit, dat zie ik zo.
Met moeite krijg ik een klein bedankje uit mijn mond, daarna ga ik gauw de boodschappen opruimen en houd me in.

Een deel van mij beseft dat het onderwerp 'het juiste gebruik van vaatdoekjes' het eigenlijk niet waard is om me druk over te maken, maar een ander deel van mij wil dat toch. Ik mag graag af en toe op de barricaden staan en me ergens over opwinden. En uiteraard vooral omdat ik gelijk heb en er iets aan de wereld verbeterd moet worden. Dat kan ook gaan over vaatdoekjes.

Ik weet nog hoe ik me als kind van een jaar of tien 's nachts in bed lag op te winden over Adolf Hitler. Ik kom uit een joodse familie en was heel boos op hem om alles wat hij had gedaan. Ik bedacht wat ik allemaal tegen hem zou zeggen als ik hem tegenkwam. Ik zou hem eens goed vertellen wat een gemenerik hij was en wat ik daarvan vond. Tegelijk besefte ik dat ik niks meer aan de oorlog kon veranderen omdat het al geschiedenis was.

De behoefte om mijn mening te geven en invloed te hebben op wat er gebeurt, is gebleven. Wel ben ik in de loop der jaren selectiever geworden in waar ik me over opwind. De hele dag op allerlei barricaden rondlopen is best vermoeiend en ook weinig effectief. Het werkt beter om een paar onderwerpen uit te kiezen waar je echt invloed op kunt hebben en daar dan ook energie in te steken. De rest laat ik tegenwoordig voorbijgaan. Ik word steeds beter in afstand houden, kijken naar 'het proces' in plaats van erin meegesleept worden, in meebewegen, observeren en loslaten, in laconiek zijn en bijvoorbeeld zeggen 'het komt zoals het komt en het gaat zoals het gaat'. Wat ook altijd zo is.

Vroeger vond ik het mooi als mensen vanaf de barricaden zeiden: 'ik kan niet tegen onrechtvaardigheid.' Inmiddels kijk ik daar anders tegenaan, want wat is onrechtvaardigheid eigenlijk? Het is geen objectief begrip. Wat de een terecht vindt, vindt de ander onrechtvaardig. Schermen met je gevoel voor rechtvaardigheid kan zelfs een gevaarlijk excuus worden voor acties die eigenlijk niet door de beugel kunnen. Zo zal Hitler ook wel hebben gevonden dat de jodenvervolging rechtvaardig was, ze hadden het er immers in zijn ogen zelf naar gemaakt. (Toch jammer dat ik dat als kind niet met hem heb kunnen bespreken.)
En voetballers die een scheidsrechter aftuigen kunnen ook niet tegen onrechtvaardigheid.

Inmiddels zitten mijn man en ik op het schone balkon met een glas rosé. Het is er heerlijk in de zon.
Ik kan het onderwerp vaatdoekjes toch nog niet helemaal loslaten en vraag hem – nu heel vriendelijk – of hij mij kan uitleggen waarom hij voor schoonmaakwerk steeds weer een vaatdoekje van het aanrecht pakt in plaats van een schoonmaakdoekje uit het gootsteenkastje. Terwijl ik al zo vaak heb gezegd dat het vaatdoekje daar niet voor is. Hij denkt even na over zijn doekjeskeuzeproces en zegt dan: 'Wat je ermee oplost is gewoon belangrijker dan wat je ermee veroorzaakt.' Waarvan akte.