vrijdag 18 januari 2013

Re-integratie

Het is mooi als je opknapt na een periode van ziek zijn en weer voorzichtig aan het werk mag. Maar dat gaat niet zomaar. Er is een Wet Verbetering Poortwachter, waarin nauwkeurig staat omschreven welke verantwoordelijkheden werknemer, werkgever en arbodienst hebben tijdens de ziekteperiode en welke procedures moeten worden gevolgd. De arbodienst of bedrijfsarts moet een probleemanalyse maken. De werkgever moet in overleg met de werknemer een Plan van Aanpak opstellen om deze zo snel mogelijk weer aan het werk te krijgen. En ook de werknemer zelf moet zich inspannen om zo snel mogelijk weer te herstellen. Ziek zijn is bijna een vorm van werk.
 
Jaren geleden was ik zelf een tijd uit de running en moest daarna re-integreren. Ik merkte toen dat dit eigenlijk een heel vreemd proces is, dat een groot beroep doet op je eigen flexibiliteit en op die van je collega’s.
 
Immers, terwijl net is bewezen dat ook jij niet onmisbaar bent op je werk, kom je weer terug. Al je belangrijke taken zijn inmiddels door anderen overgenomen, de andere dingen die je deed worden gewoon niet meer gedaan. En men blijkt ook zonder die dingen te kunnen.
Aan jou de taak om je eigen plekje weer terug te veroveren en het werk weer terug te krijgen dat je leuk vindt en waar je goed in bent. Tussendoor moet je met iedereen bijpraten en je kennis updaten over wat er tijdens jouw afwezigheid allemaal is gebeurd. En dat moet je dan doen in een setting waarin je voorzichtig moet beginnen, nog niet te veel hooi op je vork mag nemen en ook nog geen echte verantwoordelijkheden hebt.
 
Eigenlijk wil je meteen weer serieus worden genomen. Maar de overgang is toch wel erg groot van thuis zitten in je eigen, overzichtelijke wereldje naar professioneel en collegiaal functioneren in een dynamische werkomgeving.
 
Je collega’s zijn oprecht blij dat je er weer bent – het lijkt voor hen een beetje of je heel lang op vakantie bent geweest - maar ze weten niet goed wat ze van je mogen verwachten. Je bent weer aanwezig en je ziet er best gezond uit, maar ze hebben gehoord dat je eerst alleen therapeutisch aan het werk bent. Je bent er dus wel maar je bent er ook niet. Mogen ze wel iets van je vragen? Welk werk kun je wel en niet doen? En in hoeverre kunnen ze weer op je rekenen?
Iedereen zegt dat je je grenzen moet aangeven, maar je weet zelf nog niet waar die liggen. Je hoofd wil misschien meer dan je lichaam. En waar je thuis weer leek te bruisen van energie, vraagt puur het aanwezig zijn op je werk met al die collega’s al veel van je krachten. En dan heb je nog geen concrete klus geklaard. Het is een kwestie van beginnen, aanpakken, doseren, te hard lopen, vallen, opstaan en weer doorgaan.
Dat valt af en toe niet mee. Je voelt je soms tekortschieten omdat je nog niet weer een volwaardige collega bent, je zelfvertrouwen is nog fragiel en je energie is soms gewoon op. Af en toe zou je wel willen weglopen van alle verwachtingen die mensen ineens weer van je hebben. En tegelijk wil je juist graag weer meetellen en bij de groep horen, je wilt weer iemand zijn die letterlijk een functie heeft.

Het rare van re-integreren is dus dat je, juist in een periode dat je voorzichtig weer opkrabbelt en nog onzeker bent over wat je weer kunt, extra flexibel, standvastig en assertief moet zijn. Je moet goed nee kunnen zeggen als collega’s te veel van je vragen, je moet duidelijk aan je leidinggevende vertellen wat je voor werk wilt doen en hoe je je re-integratieproces ziet. Je moet energie opbouwen en in je werk groeien. Je moet open staan voor nieuwe ontwikkelingen die zich voor hebben gedaan tijdens je afwezigheid.
En je moet ook nog regelmatig met je werkgever en de bedrijfsarts evalueren en aan zelfreflectie doen: hoe verloopt de re-integratie, wat vind je moeilijk, welk werk kun je weer aan, wanneer kun je weer helemaal aan de slag?

De laatste weken maak ik bij mijn man hetzelfde proces mee: na zijn hersenoperatie mag hij voorzichtig weer re-integreren bij het ROC waar hij docent is. Eerst voor een klein aantal uren per week, alleen nog op therapeutische basis, nog geen deadlines en verplichtingen, alleen werk waarbij hij zelf kan bepalen hoe lang en hoe veel hij bezig is, nog geen werkdruk en nog geen lestaken. Hij mag elk moment stoppen en is niet verplicht te komen.
Hij is heel blij zijn collega’s weer te zien en wil ook graag weer werken. Maar hoe moeilijk is het om de grenzen in het oog te houden. Hij is enthousiast dat hij weer wat kan bijdragen maar loopt zichzelf snel voorbij, ook uit loyaliteit naar zijn collega’s die hij graag wil helpen nu hij er weer is.

Als ik hem voorzichtig aanspreek en zeg dat de afspraak toch was dat hij eerst niet meer dan twee middagen iets voor school zou doen en dat hij nu alwéér bezig is en er moe uitziet, is hij niet blij. Hij weet heus wel wat hij doet.
 
Snel trek ik me terug. Nu het beter met hem gaat,moet ik leren een ‘mantelzorger op afstand’ te worden. Ik weet wel dat ik hem niet mag betuttelen, maar soms vind ik dat het niet goed gaat en dan moet ik toch iets doen of zeggen? Of niet? Nee, ik moet het meer loslaten en een paar stappen achteruit doen, hem ruimte geven om het op zijn eigen manier te doen.
Ik realiseer me dat ik niet alleen betrokken ben bij zijn ziekteperiode, maar ook bij zijn re-integratieproces. Ook ik moet me steeds aanpassen aan de situatie.
 
Mijn opmerking over hoeveel werk hij op zijn schouders neemt, blijft toch wel hangen en later hebben we het erover. Hij wil best doseren maar er is zoveel werk te doen en iedereen spreekt hem weer aan. Zijn collega's en leidinggevende zeggen dat hij het rustig aan moet doen en dat menen ze ook. Maar ze willen toch ook wel graag dat hij even met iets helpt nu hij weer in beeld is en ze zijn expertise weer kunnen gebruiken. En als hij ziet dat een collega die zoveel werk van hem heeft overgenomen, ondersteuning nodig heeft, wil hij toch helpen?
 
Re-integreren is zwaar werk, je zou er bijna ziek van worden.

zaterdag 1 december 2012

Zo'n dag

Zo’n dag dat je heel graag wilt uitslapen en niet bereikbaar wilt zijn en je op aanraden van je dochter je telefoon uit hebt gezet. En dat dan ’s morgens vroeg terwijl je nog diep slaapt een man aanbelt of je je auto even wilt wegzetten. Niet omdat die niet goed geparkeerd staat, maar omdat de straat verderop is opgebroken en hij daardoor met zijn vrachtwagen een bocht achteruit moet maken en dat jouw auto daarvoor precies in de weg staat. Waarna je dit heel snel moet begrijpen en je vlug moet aankleden en met warrige haren en slaapogen tussen energieke mannen door moet lopen om je auto te verplaatsen. En dat ze dan hun duim opsteken, niet omdat je jong en mooi bent maar gewoon omdat je je auto hebt weggezet.

En dat je beseft dat je door die deurbel nooit zult weten hoe je droom verder ging waarin je stiekem bij de overburen die nooit willen groeten binnen aan het kijken was en betrapt werd door de buurman die net thuiskwam.

Zo’n dag dat je op het punt staat te vertrekken voor een weekendje weg met je man die geopereerd is aan zijn hoofd na een fietsongeluk. En dat dan de benedenbuurvrouw belt dat ze lekkage heeft en dat het water door haar keukenplafond drupt en dat het van jouw huis afkomstig moet zijn. En dat je na de ontkenningsfase ontdekt dat er inderdaad bij jou iets lekt bij de keukenkraan. Waarna je de weekendloodgieter moet bellen die je een verschrikkelijke poot uitdraait en je ook nog opscheept met een ouderwetse kraan met twee mengknoppen omdat hij even niks anders bij zich heeft.

Zo’n dag waarop je even snel naar de pinautomaat rijdt om geld te halen omdat de loodgieter liefst cash wil worden betaald. En dat je dan te snel thuis wilt zijn omdat je weekendje in duigen lijkt te vallen. En dat de bocht vlakbij huis die je al tienduizend keer hebt gereden ineens niet mee wil werken en dat de kont van een geparkeerde dikke BMW net iets te ver uitsteekt en dat je die dan schampt met een vreselijk geluid. Waarna je niet eens parkeerplaats in de straat kunt vinden om de schade te gaan bekijken en je als een vluchtende crimineel met je auto door de wijk rijdt, terwijl je probeert niet te denken aan hoe de rechterkant van je eigen auto er nu uit zal zien. En dat dan blijkt dat er diepe krassen en deuken zitten die pijn aan je ogen doen.

Zo’n dag waarop je met lood in je schoenen een briefje achter de BMW-ruitenwisser doet met je naam en adres en daarna met lichte buikpijn afwacht tot je gebeld zult worden door de woedende eigenaar. Die vast een patserige figuur zal zijn die zijn auto elke week poetst en wakker ligt van elk krasje. En dat het dan zomaar een vriendelijke jongeman blijkt te zijn die aan de overkant woont en die zegt blij te zijn dat je een briefje hebt achtergelaten. En die dan Damitri blijkt te heten en niet Dimitri, waardoor je weer bijleert over de wonderlijke namen die ouders hun kinderen blijken te geven. Waarna je goede gevoel snel weer weglekt als je je ineens realiseert dat je net een paar maanden geleden je all risks-verzekering hebt gedownsized naar een simpele WA-verzekering en dat je dus alle schade zelf moet betalen.

Zo’n dag waarop je door de lekkage pas zo laat naar je weekendje weg kunt vertrekken dat het al donker is als je aankomt op de plaats van bestemming en dat alle winkels al dicht zijn. Waarna het dorpje louter uit hele leuke winkels met leuke etalages lijkt te bestaan waar je nou net graag eens binnen had willen kijken, maar waar je vast nooit zult komen omdat het morgen ook nog zondag is.
Waarna je ’s avonds samen toch nog een heel leuk en intiem etentje aan de haven hebt en alle vervelende gedachten over deuken en loodgieters worden gedempt met goede wijnen, en dat je zondag in het B&B een prachtig ontbijt krijgt en dat het een mooie herfstdag wordt en dat je samen een heerlijke strandwandeling kunt maken.

Zo’n dag waarop je tevreden thuiskomt van een weekendje weg. En dat je dan ontdekt dat de kat terwijl je weg was over het enige mooie kussentje dat je nog van je moeder hebt heeft gekotst en dat er vlekken op zitten die er vast nooit meer uit willen.

Zo’n dag heb ik gelukkig bijna nooit.

 

zondag 4 november 2012

Mantelzorg

Op de bank zit een man die het de komende maanden rustig aan moet doen. Hij voelt zich aardig goed, maar is snel moe. Zijn hersens kunnen nog niet te veel prikkels verwerken na het subduraal hematoom (bloeduitstorting tussen de hersenvliezen door een val op zijn hoofd) en de operatie daaraan, waarbij een gat in zijn schedel is geboord.

Hij moet rust nemen, doseren en zuinig omgaan met zijn energie. Dat valt niet mee voor iemand die altijd actief bezig is en die gewend is dagelijks onder de mensen te zijn. Hij heeft de neiging te overschatten wat hij aankan, totdat hij zichzelf tegenkomt. Dan is zijn batterij leeg en moet hij eerst weer worden opgeladen.

Op zulke momenten neem ik de zaak over en zorg voor wat nodig is.
 
Hij wil niet de hele dag thuiszitten, want dan wordt zijn wereld zo klein. Ondanks de Ipad die hem met de hele wereld verbindt, komen de muren soms op hem af. Dus gaan we regelmatig even weg voor een klein uitje of een wandeling, niet te lang maar wel voldoende voor wat frisse lucht en een goede bloedsomloop. Soms gewoon in onze eigen buurt.
Rondwandelen in de wijk geeft veel informatie moet ik zeggen. Je krijgt letterlijk meer zicht op je buren, de huizen waar ze in wonen, hun interieur en de honden die ze hebben. Ook ontdekte ik eindelijk waarom mensen die hun hond uitlaten zo’n leuke rode strik aan de riem hebben gebonden: dat is gewoon een poepzakje dat ze handig in combinatie met de hond bij zich hebben. En die zakjes kun je halen en brengen bij de hondenpoepafvalbak. Echt een eyeopener.
 
Af en toe gaan we een stukje rijden in de auto. Hij mag de komende maanden nog niet autorijden en zit gehoorzaam naast me. Het liefst zou hij lekker zelf achter het stuur zitten, maar hij moet de regie overgeven. Ik vind het rot voor hem maar neem toch maar de rol op me die mij is toebedeeld.
 
Hij voelt zich soms opgelaten door de belasting die hij op mij legt. Dan zeg ik dat hij zich niet schuldig hoeft te voelen, dat ik het met liefde doe, dat het vanzelfsprekend is, dat het nu eenmaal  is zoals het is. Ik maak ruimte, zodat hij erin past. Ik moet er zijn om hem waar nodig te helpen en dingen voor hem te doen die hij nu niet kan.
 
Ongemerkt ben ik weer mantelzorger geworden, net als een aantal jaren geleden bij mijn moeder. Na haar beroerte kwam ik in een maalstroom terecht van narigheid, ik reisde 500 kilometer per week heen en weer naar Groningen om haar - na haar opname in het verpleeghuis - te ondersteunen en alles voor haar te regelen. De verantwoordelijkheid drukte zwaar maar het was Mijn Taak. Ik wilde het doen en ging er tegelijk aan onderdoor omdat de mantelzorg mij opslokte en ik mijn grenzen niet kon aangeven.
Na haar dood was ik acht maanden uit de roulatie omdat ik lichamelijk en geestelijk helemaal was uitgeput. Een paar jaar later schreef ik een boek over haar ziekteperiode (Mijn hoofd is hol, 2e druk 2011). Pas toen iemand me erop attendeerde, realiseerde me ik me dat het boek niet alleen over mijn moeders beroerte, maar ook over mantelzorg ging.
 
Nu is alles anders, maar gevoelsmatig toch ook hetzelfde. Ik herken de innerlijke onrust, het verantwoordelijkheidsgevoel, de overdreven alertheid, de drukkende moeheid die ik niet wil en mag voelen, de irritatie soms, het verboden zelfmedelijden, het verdriet over de situatie dat zich soms even opdringt en een brok in mijn keel legt die ik wegslik.
 
Maar dit keer ga ik het anders doen: ik ga goed voor mezelf zorgen, niet alles inleveren maar ruimte reserveren voor mezelf. Ruimte maken voor een avondje weg met een vriendin, ruimte om hem en de situatie even helemaal te negeren.
Ik hoor het mezelf zeggen terwijl ik ondertussen denk dat ik het beste weet wat goed voor hem is, eigenlijk controle wil houden, eigenlijk alles zelf wil regelen zodat ik zeker weet dat het goed gaat.
 
Als hij zegt dat hij een paar dagen naar zijn familie wil – ook om mij even te ontlasten – ben ik zowel opgelucht als teleurgesteld. Ja, die ruimte wil ik graag, maar nee, ik wil hem ook graag in de buurt houden. Zodat ik kan kijken of alles goed gaat, zodat ik kan inspringen als het nodig is. En hand-in-hand met hem buiten kan wandelen omdat dat ook heel knus is. En hoe moet het als het ineens niet goed gaat, wie houdt hem in de gaten? En kan hij wel goed genoeg op zichzelf passen?
Dan realiseer ik me dat hij niet mijn kind is, maar mijn partner. Laat los, hij is een volwassen man, al is hij – hopelijk tijdelijk - niet in staat zijn gewone leven te leiden.
 
De volgende dag is hij er niet als ik thuiskom van mijn werk. Hij logeert bij zijn zus en pas morgenavond ga ik hem daar weer ophalen. Het huis is stil, niemand vraagt iets van me – behalve dan de oude kater Tijger, maar die kan ik wel aan.
 
Het duurt even tot de rust op me neerdaalt. De ruimte lijkt eerst leegte, maar dan groeit het goede gevoel. Ik schenk mezelf een glas port in, slokje, zucht, rust.
Denk wel al aan de route die ik morgen moet rijden om hem op te halen. Corrigeer mezelf, nu niet denken aan morgen, blijf in het nu. Slokje, zucht, blokje kaas, zucht, rust, ontspanning, wat heerlijk is deze ruimte, wat heerlijk om gewoon even lekker te rommelen.
 
Als hij belt schiet ik telefonisch meteen in mijn rol: hoe voelt hij zich, gaat het wel goed, moet ik nog iets doen, regelen, plannen, voorbereiden, hem eerder ophalen misschien?
 
Nee, ik hoef niets te doen. Hij heeft het gezellig bij zijn familie, iedereen staat voor hem klaar. Hij raadt me aan even lekker iets voor mezelf te doen, hij redt zich wel, echt.
Ik geloof hem.
 
Pas dan trek ik als mantelzorger mijn jas even uit. De rest van de avond hang ik op de bank. Heerlijk.
 
 
 
 
 

zaterdag 6 oktober 2012

Staartje

“Nog een fijne avond,” zegt de ober van Café Pavlov in Den Haag als we om 18.00 uur weggaan. Hij weet niet dat we net besloten hebben naar het ziekenhuis te gaan. Bert had tien minuten geleden  – terwijl we na een bezoek aan de film Tous Ensemble gezellig zaten na te praten bij rode wijn met bittergarnituur - een spraakstoornis: hij begon te brabbelen, reageerde traag en kwam niet uit zijn woorden. Eerder deze week had hij aan de telefoon ook al zoiets. En ineens valt bij mij het kwartje. Dit is afasie, schiet door me heen, en meteen daarna: foute boel!

Het lijkt erop dat Bert een TIA heeft gehad: een mini-beroerte van voorbijgaande aard, een waarschuwing van je lichaam dat er bijna een vat verstopt zit in je hersenen.

Op de Spoedeisende Hulp wordt hij meteen in de medische molen gestopt: hartfilmpje, bloedonderzoek, ziektegeschiedenis. We vertellen over zijn fietsongeluk van twee maanden geleden. Wie weet is dat toch belangrijk. Hij ging met zijn racefiets onderuit door steenslag op een net geasfalteerde landweg en viel op zijn hoofd. Hij raakte bewusteloos en werd per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Ze constateerden daar een lichte hersenschudding; hij herinnert zich daardoor niets van het ongeluk. Zijn fietshelm was door de klap flink ingedeukt.

Hart en bloed zijn prima, niks wijst op een TIA. De arts besluit een CT-scan van zijn hersenen te laten maken. En dan wordt de verklaring voor Berts spraakproblemen gevonden: hij heeft een grote bloeduitstorting in zijn hoofd (een subduraal hematoom), tussen zijn schedel en zijn hersenen. Het hematoom drukt op de hersenen en daardoor heeft hij uitvalsverschijnselen. Simpel gezegd heeft hij een blauwe plek in zijn hoofd die in de weg zit. Het bloed zit opgesloten tussen twee hersenvliezen (het harde hersenvlies en het spinnenwebvlies).
De oorzaak moet volgens de arts wel het fietsongeluk zijn, want op de scan is te zien dat het oud bloed is.

We zijn verbijsterd. Het fietsongeluk is twee maanden geleden, hoe kan hij nu dan nog zoiets krijgen? En bovendien is hij links op zijn hoofd gevallen, hoe kan het hematoom dan aan de rechterkant zitten? De arts legt uit dat bij de val de hersenen tegen de andere kant van zijn schedel zijn ‘gestuiterd’ en dat daarbij een ader kapot is gegaan. Het bloed heeft heel langzaam gedruppeld, vandaar dat het zo lang duurde voordat hij er iets van merkte. Heel sluipend is de druk op zijn hersenen toegenomen.
Het was me al wel opgevallen dat hij de laatste tijd gauw moe was  - zelfs onder de film vanmiddag zat hij alweer te gapen - en hij leek ook minder flexibel en helder dan anders. Blijkt dus allemaal te komen van de druk tegen zijn frontale hersenkwab.

Het is bijna middernacht als we uitsluitsel krijgen over hoe nu verder. Een neurochirurg moet de bloeduitstorting uit zijn hoofd verwijderen, daarvoor wordt een gaatje in zijn schedel gemaakt. Voor die operatie moet hij naar een ander ziekenhuis, want hier is geen neurochirurgie. En tot het zover is, moet hij blijven. Hij moet onder controle blijven tot de operatie. Hij mag niet meer naar huis.

Midden in de nacht wordt hij opgenomen in het uitgestorven ziekenhuis. We omhelzen elkaar in de donkere gang en ik beloof de volgende ochtend wat spullen te komen brengen. Om kwart voor twee ’s nachts kom ik alleen thuis.

Drie onwerkelijke dagen later verhuist hij per ambulance naar het andere ziekenhuis. De neurochirurg vertelt vriendelijk maar zakelijk dat hij onder plaatselijke verdoving een gat in zijn schedel gaat boren om de hersenen te ontlasten en de bloeduitstorting te verwijderen. Plaatselijke verdoving?? Ja, zo doet hij het altijd en het blijkt ook voor de patiënt goed te doen – “anders zouden we de operatie niet zo uitvoeren, mevrouw” -  Ook leidt deze aanpak tot sneller herstel.

Zijn zelfverzekerde blik is geloofwaardig, dus dan moet het maar zo. Het gat dat ze gaan boren blijkt trouwens een doorsnede te hebben van ruim een centimeter, veel groter dan wij dachten.

De volgende ochtend om acht uur stuurt Bert een berichtje: ik ben er klaar voor. En even later: ik ga nu naar de OK.
Hoe kom je de tijd door als je weet dat ze een gat aan het boren zijn in de schedel van je geliefde? Ik doe huishoudelijke klusjes, ijsbeer door de kamer, probeer de krant te lezen. Ik schrijf alvast een concept-mailtje aan iemand dat de operatie goed is verlopen (zo lijkt het net of het al achter de rug is) en surf wat op internet. Er zijn vandaag 35.000 haringen en 6000 wittebroden beschikbaar voor Leidens Ontzet. Fijn om te weten.

Het duurt lang, te lang voordat ik iets hoor. Ik houd het niet meer uit en bel het nummer van de verpleging. Daarop zijn ze 24 uur per dag bereikbaar, heeft een verpleegkundige me verteld. Ze nemen niet op. Vijf minuten laten nog niet. Daarna moet ik van mezelf een kwartier wachten met bellen. Dat houd ik niet vol en na zeven minuten bel ik opnieuw. Een broeder aan de lijn: “Nee, zijn bed is nog niet terug.” Waarom duurt het zo lang?

En dan ineens belt hij zelf, vrolijke stem. Het is goed gegaan. Wel hoorde hij het knarsen toen ze aan het boren waren. En hij heeft nog een drain die een paar dagen moet blijven zitten.

Drie dagen later mag hij naar huis. Hij moet nog rustig aan doen en over een paar weken terugkomen voor een controlescan, maar zijn hersenen kunnen zich volgens de neurochirurg nu weer ‘ontvouwen’. Alles zal straks weer goed functioneren. Daar gaan we voor.

Tot slot een advies: Fietsen is gezond, maar wees voorzichtig en draag een helm, zeker op een racefiets. En pas op voor bizarre ongelukken, want die zitten in een klein hoekje.

dinsdag 25 september 2012

Ghana

Soms moet je er even tussenuit. Dat kan op vele manieren, bijvoorbeeld door een flinke infectie of een reis naar Afrika. Ik heb het allebei gedaan, zodat ik zeker wist dat ik al mijn dagelijkse beslommeringen even zou loslaten.

Eerst kwam de infectie. Vooral achteraf best leuk om over na te denken. Een onzichtbaar beestje sluipt je lichaam binnen en nestelt zich lekker in je darmen. Het begint zich enthousiast te vermenigvuldigen en neemt vervolgens de hele boel over. Het was de Campylobacter Jejuni, een exotische naam die staat voor een bacterie die voedselinfecties veroorzaakt. Soms licht, en soms heel heftig. Vaak zit hij in niet geheel gaar vlees. Hij houdt bijvoorbeeld erg van mensen die zwartgeblakerde kippenpoten van de barbecue eten die van binnen nog half rauw zijn. Waar ik de bacterie heb binnengekregen blijft onduidelijk, maar dat maakte hem niets uit. Hij was binnen en genoot ervan. Ik minder. Maar uiteindelijk heb ik gewonnen.

Ik knapte net op tijd op om naar mijn dochter te kunnen vertrekken in Ghana: een lange reis, een donkere avond, een warme wind, ik ben in Afrika! Ze wacht me op met een groot bord waar MAMA op staat, we vallen elkaar met de slappe lach in de armen. Wat raar om elkaar hier na drie maanden weer te zien en wat gewoon ook eigenlijk. We gaan samen vakantie houden als afsluiting van haar afstudeeronderzoek onder cacaoboeren.

De volgende dag haalt chauffeur Richard ons op bij het hotel. Ik kijk mijn ogen uit als we door het drukke, chaotische verkeer van Accra rijden. Ik heb me voorgenomen alles los te laten wat ik in Nederland gewend ben en open te staan voor nieuwe indrukken, zonder te oordelen.
Overal lopen, hangen, zitten mensen, her en der staan houten stalletjes met koopwaar, een man wandelt langs met een onwaarschijnlijk grote watertank op zijn hoofd, naast de weg staat een vrouw onder een afdakje van palmbladeren bananen te bakken, naast haar zitten vier kinderen op de zanderige grond. Stoepen zijn er niet en auto’s halen elkaar links en rechts in. Als we voor een stoplicht staan, lopen vrouwen tussen de auto’s door met koopwaar op hun hoofd: flessen of zakjes drinkwater in een bak ijs, schalen met opgestapeld fruit, zakjes pinda’s, grote koeken in een soort oventje, stukken suikerriet in plastic, ijsjes, toiletartikelen, haarborstels. Een man houdt drie bougiesleutels omhoog, een ander een stapel cd’s en twee paar schoenen, twee mannen sjouwen een groot tableau zonnebrillen mee. Ook beltegoed koop je vanuit het raampje van de auto, mijn dochter doet het geroutineerd. Winkels bestaan bijna niet in Ghana, alle verkoop speelt zich af op straat.
Alles is hier dus gewoon anders, en zo kan het dus ook.
 
Als blanken (obroeni’s) vallen we wel erg op tussen de diepzwarte Ghanezen. Het is onmogelijk om op te gaan in de massa. Als we een botanische tuin bezoeken (nog aangelegd door de Engelsen) willen drie jongens met ons op de foto. Ik ben hier een bezienswaardigheid vanwege mijn huidskleur, dat gevoel kende ik nog niet.

Overal rijden trotro’s: volgepakte personenbusjes die het openbaar vervoer van Ghana vormen. Er is geen dienstregeling, dus soms moet je een uur wachten tot je mee kunt, vertelt mijn dochter. Maar dat hoort erbij. Je kunt ook een taxi nemen, herkenbaar aan de gele spatborden. Als ze vrij zijn toeteren ze als ze langsrijden. Je loopt wel kans dat ze het onderweg begeven, maar dat is normaal. Dan wacht je gewoon tot hij het weer doet.

Wij hoeven niet op een troto te wachten, wij rijden rond in onze eigen auto met chauffeur. Ik vind het wel comfortabel en gun mezelf deze luxe, maar mijn dochter heeft er moeite mee. Ze heeft maandenlang tussen de Ghanezen geleefd, altijd in troto’s gereisd, in een afgelegen dorp gewoond zonder sanitaire voorzieningen, haar boodschappen gedaan op de markt. Nu reist ze ineens als rijke blanke in een mooie auto en rijdt langs de mensen in plaats van ertussen te lopen.

We luisteren naar elkaars beleving van de werkelijkheid en proberen elkaar te begrijpen. Het ligt gevoelig, we komen echt even uit verschillende werelden. Mijn dochter vindt alles wat ze om zich heen ziet normaal. Ze begrijpt nauwelijks meer wat mij als groentje opvalt en hoeveel indruk het op me maakt. En ik realiseer me soms niet dat wat ik normaal vindt, voor haar bijzonder is geworden. Zoals de warme douche in het hotel. Na drie maanden alleen koud water kan ze er maar niet over uit hoe heerlijk dat is. En ze voelt hoe ze langzaam weer richting haar westerse leven op begint te schuiven. Dat roept gemengde gevoelens op, die haar soms verwarren.

We relaxen aan het strand in Ko-Sa Beach Resort, dat wordt gerund door Nederlanders die iets anders wilden met hun leven. De voorzieningen zijn basic, maar het eten is er lekker en veilig, zonder gemene bacteriën. We slapen onder muskietennetten, horen ’s nachts de branding en ontbijten met uitzicht op de Atlantische Oceaan. De douche geeft alleen koud water en er is geen internet. Elke dag valt de elektriciteit urenlang uit. En door een netwerkstoring hebben we twee dagen geen enkel bereik met de telefoon. Klagen hierover kan nergens en niemand is ongeduldig of boos. Op enig moment zal het immers wel weer werken? Deze laconieke houding is rustgevend en in Nederland onvoorstelbaar. Waarom eigenlijk?

De bezoeken aan de slavenforten in Cape Coast en Elmina zijn toch het meest indrukwekkend. Van hieruit verscheepten de Nederlanders zo’n 500.000 slaven, vooral naar plantages in Suriname en de Nederlandse Antillen. Voordat de slaven werden afgevoerd via de ‘door of no return’ van het fort werden ze in mensonterende omstandigheden vastgehouden. We zien in fort Elmina een verweerde plaquette met Nederlandse namen. Er zaten hier nog Nederlanders tot 1871, dat is pas 150 jaar geleden!
We voelen ons niet echt schuldig, maar plaatsvervangend toch wel een beetje.
Maar uiteindelijk gaan we bij Elmina toch maar als toerist op de foto. Want schuldgevoel over vroegere generaties moet je loslaten. Mag je loslaten.

 

 

 

.

 

 

zaterdag 4 augustus 2012

Telefoontje

“Ja maar mam,” zegt mijn dochter, “Juist omdat je mijn moeder bent, heb ik je niet eerder gebeld. Ik wilde je niet ongerust maken. En als ik jou zou spreken, zou ik niet meer zo goed flink kunnen zijn. Dan was ik misschien wel gaan huilen omdat ik zo ziek was.”

Ik begrijp haar. Het is de paradox van de moederkindrelatie: zo dicht bij elkaar staan dat je soms afstand moet nemen om elkaar niet te verstikken of om niet in elkaars emotie te verdwijnen. Zelf vertelde ik mijn moeder nare dingen ook pas als ik ze al had opgelost of als het ergste achter de rug was. Anders zou ze zich zorgen maken. Ook zou ik haar oprechte belangstelling even niet kunnen verdragen. Zelfmedelijden kun je soms niet gebruiken.

Ik tuur naar mijn dochters gezicht op het vlekkerige Skype-beeld uit Ghana. Is ze bleek, hoe staan haar ogen? De beeldkwaliteit is te slecht om mijn moederinstinct te bevredigen, het maakt me onrustig. Ik zou aan haar willen voelen en snuffelen: is ze warm, ruikt ze ziek?

Ze vertelt over de hoge koorts die ze heeft gehad, de hele erge diarree, de buikpijn. Hoe ze ’s nachts een tijd hondsberoerd buiten naast de wc (d.w.z. een smerig gat in de grond) op een bankje heeft gezeten en probeerde laconiek met de situatie om te gaan. Omdat ze immers toch nergens heen kon.

Eigenlijk wil ik zeggen: “Nu is het mooi geweest, je komt direct naar huis! Weg daar uit dat gevaarlijke Afrikaanse dorp met middeleeuwse hygiёnische toestanden!” maar in plaats daarvan prijs ik haar verstandige acties en vertel ik over mijn voorbereidingen voor mijn reis. Nog een maand en dan ga ik haar opzoeken. Ze haalt me op in Accra en dan sluiten we haar verblijf af met een gezamenlijke vakantie. Ik vertel over de vaccinaties die ik heb gehaald bij mijn GGD-collega’s. Daardoor heb ik nu twee pijnlijke armen en voel ik me wat grieperig – ik heb een klein beetje de gele koorts. Ik vertel er zo luchtig mogelijk over, zodat ze zich geen zorgen over me zal maken.

Mijn mobiel gaat, mijn mans foto licht op. Hij is die dag met zijn broer aan het racefietsen in Brabant.
“Hoi, met mij,” zegt hij erg vrolijk. “Ik bel je maar even, want ik heb een ongelukje gehad met de fiets. Ik voel me goed, maar ik lig nu op de spoedeisende hulp in het ziekenhuis. Ik herinner me niks van wat er gebeurd is, ik kwam bij in de de ambulance. En mijn pink moet worden gehecht.” Zijn broer vertelt met trillerige stem dat mijn man in een bocht door steenslag onderuitgleed en bewusteloos bleef liggen. Zijn fietshelm heeft hem gered, die is helemaal gedeukt.

Ineens verandert de wereld. Ik moet naar Brabant, naar het ziekenhuis.

Via de Skype-verbinding heeft mijn dochter het gesprek deels gevolgd. Er volgt een acute rolwisseling: “Mam, je mag nu niet zo in de auto springen,” zegt ze streng. “Eerst even tot jezelf komen en wat eten. En laat me vanavond nog even weten hoe het is.” Ik beloof het.

Het is anderhalf uur rijden naar Oss. Mijn man stuurt berichten uit het ziekenhuis. Leve de spraakcomputer van WhatsApp /  Ik moet nog even een röntgenfoto laten maken van mijn pink, Vette shit shit hits op zoom maar voel me goed / Zo de leukste foto is gemaakt en ik heb zeist hechtingen. De spraakcomputer werkt toch nog niet helemaal goed.

Als ik aankom, is hij net uit het ziekenhuis ontslagen en staat buiten op me te wachten. Daar staat hij in zijn fietskleding, samen met zijn broer. Hij lacht blij als hij me ziet. Ik knuffel hem voorzichtig, want hij zit vol schrammen en builen, ook op zijn gezicht.
Vanmorgen kon ik niet vermoeden hoe gelukkig ik vanmiddag zou zijn om hem weer te zien.

De diagnose: lichte hersenschudding (dus rustig aan doen), kneuzingen en schrammen, vooral aan de linkerkant, zes hechtingen in zijn linkerpink (over een week door de huisarts laten verwijderen).

Hij is nog erg hyper van de adrenaline en heeft ook ’s avonds nog veel praatjes. Hij kan er maar niet over uit dat hij zich niks kan herinneren van wat er is gebeurd. Zijn broer daarentegen lijdt nog zichtbaar onder het nare beeld van zijn bewusteloze broer die voor dood op de weg lag. En die nu weer zo verbazend levendig zit te praten.

Een dag later zijn alle praatjes voorbij. Mijn man likt zijn wonden en blijft een groot deel van de dag in bed. Hij heeft overal pijn, is moe en krijgt hoofdpijn als hij zich beweegt.
Als eigentijds verwerkingsritueel plaatst hij een bericht op Facebook over zijn fietsongeluk. Zo kan hij zijn ervaring snel met veel mensen delen.
Daarna gaat hij heel voorzichtig douchen met een pedaalemmerzak om zijn hand, zodat de gehechte pink niet nat kan worden. Aan fietsen moet hij nog even niet denken. Na het douchen help ik hem met afdrogen, heel voorzichtig.

Ik sms mijn dochter in Ghana dat het alweer heel goed met hem gaat, zodat ze zich geen zorgen zal maken.


















zaterdag 28 juli 2012

Zaterdag

Voor een avondmens als ik is de werkweek een harde dobber. Ik weet het: er zijn mensen die het heerlijk vinden om vóór acht uur op hun werk te zijn. “Dan heb je lekker veel aan je dag,” zeggen ze en ze kijken fris en fruitig. Ze zitten zelfs al om zeven uur op de fiets en vinden dat “‘juist heerlijk”, want ook sportief zijn ze ’s morgens vroeg al.

Als avondmens heb ik net zoveel aan mijn dag, maar mijn zwaartepunt ligt op een ander moment. Ik lig nooit voor twaalf uur in bed, sta het liefst rond negen uur op (half tien vind ik ook niet erg), en start langzaam op met een kopje koffie. Ben ik eenmaal op gang, dan ga ik door tot ’s avonds laat. Terwijl die vroege beginners al om kwart over tien met kleine oogjes zitten te koekeloeren en op de bank in slaap vallen. Watjes zijn het, avondwatjes.

Toch is vroeg beginnen om een of andere reden de norm. Als je niet graag vroeg opstaat, kun je dat beter niet verder vertellen, want je lijkt algauw een luie donder. In de tropen kan ik me bij vroeg opstaan trouwens nog iets voorstellen – dan is het immers nog niet zo heet - maar in Nederland vind ik het pure onderdrukking van de avondmens.

Het weekend begint voor mij met uitslapen, want ik moet eerst bijkomen van het vroege opstaan van door de week. Ik ga dus niet "lekker ’s morgens vroeg” boodschappen doen, naar de Gamma, grasmaaien, stofzuigen, strijken, ramen lappen of iets anders wat betekent dat je niet kunt slapen. Zaterdagmorgen slaap ik bij voorkeur uit en doe ik niks.

Gelukkig heb ik een man die ook avondmens is, en wat voor één, een alfa-avondmens mag je wel zeggen. Als ik op zaterdag om twee uur ’s nachts echt begin af te knappen, krijgt hij nog een opleving. Die kan bestaan uit een nieuw muziekje opzetten, maar ook uit het bekijken van You Tube-filmpjes met muziek uit de jaren zestig of het opzoeken van vogelgeluiden om het jachtinstinct van onze hoogbejaarde kater Tijger te prikkelen. Die trouwens ook een avondtype is en er geen problemen mee heeft om ’s nachts wakker gehouden te worden. Maar die vogelgeluiden interesseren hem niet zo veel, die tijd heeft hij gehad.

Na het samen uitslapen – het grote voordeel van een relatie tussen twee avondmensen – ligt de zaterdagmiddag open. Vanaf dat moment gaat het niet meer om verschillen tussen ochtend- en avondmensen, maar meer om verschillen tussen mannen en vrouwen en om ruimte geven.

Waar ik denk dat ik de middag kan gebruiken voor iets als een was draaien, post uitzoeken, vriendin bellen of mailen, bh’s kopen, de krant lezen (op papier of Ipad), de kaartenvoorraad aanvullen voor mensen die ziek, jarig, overleden, geslaagd of gezakt zijn, of lekker op het balkon zitten met een cappuccino, krijgt mijn man hele andere opwellingen: de velgen van de auto schoonmaken (moet nodig gebeuren!), lekkere vis kopen, fruitsalade maken (hij is tegen kant-en-klare fruitsalades), de wijnvoorraad aanvullen uit een speciale streek in Portugal, op de Ipad de krant doorswipen, daarna op You Tube zwart-witfilmpjes bekijken van de Dreigroschenoper met Gisela May, en aansluitend nieuwe vogelgeluiden opzoeken die de oude kater misschien wel kunnen bekoren als hij vanavond weer wakker is.

Tussendoor pakt hij ineens zijn autosleutels: de bandenspanning van de auto moet worden gemeten. Nog nooit is zo’n actie in mij opgekomen. Bij bandenspanning denk ik hoogstens aan spanning die banden tussen twee mensen met zich mee kan brengen.

Hij gaat even alleen op pad en zegt na terugkomst: weet je wat ik ga maken? Gazpacho! Even later staat hij in de keuken - de Ipad voor hem op het aanrecht met Epke Zonderland zwiepend aan de rekstok bij de Olympische Spelen - en hij rommelt lekker met de staafmixer.

Ineens besluit ik een blog te gaan schrijven over deze zaterdag. De dag is immers nog lang voor avondmensen.